Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-02-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:396, 23/1420 en 23/1421
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-02-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:396, 23/1420 en 23/1421
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 18 februari 2026
- Datum publicatie
- 1 april 2026
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:396
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:5902, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/1420 en 23/1421
- Relevante informatie
- Art. 3 Wet OB 1968, Art. 9 Wet OB 1968, Wet OB 1968
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting, nultarief wegens uitvoer. Omvang van het geschil.
Belanghebbende handelt in springpaarden. Zij heeft in 2012 aandelen van 50% van de volle eigendom van paarden verkocht aan afnemers buiten Nederland. In geschil is of de inspecteur terecht toepassing van het nultarief heeft geweigerd. Het hof oordeelt dat belanghebbende het geschil in hoger beroep expliciet heeft beperkt tot “de zuiver juridische vraag hoe de verkoop van een aandeel in [een] levend paard aan een buiten Nederland gevestigde afnemer moet worden gekwalificeerd voor de omzetbelasting.” Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met de verkoop van 50% van de volle eigendom de macht om als eigenaar te beschikken overgedragen. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.
Het hoger beroep van de inspecteur slaagt. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag vermindert, maar heeft daarbij een onjuiste berekeningswijze gehanteerd. Het hof laat de naheffingsaanslag is stand.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1420 en 23/1421
Uitspraak op het hoger beroep van
[bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. c.s.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende
en op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 augustus 2023, nummer BRE 19/6396, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur en, wat betreft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade,
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2012 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/1420. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De inspecteur heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/1421. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota in Mijn Rechtspraak geplaatst. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam] en gemachtigde [gemachtigde] . Namens de inspecteur zijn verschenen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende haar activiteiten bestaan uit het kopen van talentvolle paarden en het trainen van die paarden om deze vervolgens als springpaarden te verkopen.
In 2012 heeft belanghebbende van diverse paarden de helft van de civielrechtelijke eigendom verkocht en geleverd en daarvoor de volgende facturen uitgereikt:
|
Factuurdatum |
Omschrijving |
Koper |
Bedrag |
|
02-01-2012 |
50% [paard 2] |
[BVBA] BVBA (België) |
€ 75.000 |
|
15-02-2012 |
50% [paard 3] |
[N.V.] N.V. (België) |
€ 28.000 |
|
15-02-2012 |
50% [paard 4] |
[N.V.] N.V. (België) |
€ 25.000 |
|
29-08-2012 |
50% [paard 5] |
[AS] AS (Zweden) |
€ 142.000 |
|
22-11-2012 |
50% [paard 6] |
[Koper] (VS) |
€ 125.000 |
|
22-11-2012 |
50% [paard 1] |
[Koper] (VS) |
€ 125.000 |
|
22-11-2012 |
50% [paard 7] |
[Koper] (VS) |
€ 125.000 |
|
22-11-2012 |
50% [paard 8] |
[Koper] (VS) |
€ 100.000 |
|
22-11-2012 |
50% [paard 9] |
[Koper] (VS) |
€ 205.000 |
Belanghebbende heeft op de facturen geen omzetbelasting in rekening gebracht. Evenmin heeft zij ter zake omzetbelasting voldaan.
In 2017 heeft de inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding daarvan heeft hij het standpunt ingenomen dat de onder 2.2 bedoelde verkopen worden aangemerkt als een levering voor de heffing van de omzetbelasting, dat daarvoor het nultarief niet geldt en dat belanghebbende daarom voor die leveringen omzetbelasting is verschuldigd. De verschuldigde omzetbelasting is op € 177.460 berekend:
|
Paarden |
Omzetbelasting |
Correctie |
|
[paard 2] (50%) |
6% van € 75.000 |
€ 4.500 |
|
[paard 3] (50%) |
6% van € 28.000 |
€ 1.680 |
|
[paard 4] (50%) |
6% van € 25.000 |
€ 1.500 |
|
[paard 5] (50%) |
19% van € 142.000 |
€ 26.980 |
|
Paarden verkocht aan [Koper] (50%) |
21% van € 680.000 |
€ 142.800 |
|
Totaal |
€ 177.460 |
De inspecteur heeft met dagtekening 27 december 2017 de naheffingsaanslag opgelegd. Door een administratieve fout heeft de inspecteur de na te heffen belasting echter vastgesteld op € 117.460 in plaats van op € 177.460. Verder heeft hij € 22.154 belastingrente in rekening gebracht.
Het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard. In beroep heeft de rechtbank de naheffingsaanslag evenwel verminderd, omdat zij het nultarief wel van toepassing achtte voor de levering van de paarden [paard 2] , [paard 5] en [paard 6] . De rechtbank heeft bij het vaststellen van de vermindering het bedrag van de administratieve fout - zijnde volgens haar € 70.000 - naar evenredigheid toegerekend aan elk van de leveringen. De belastingrente is naar evenredigheid verminderd.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
Belanghebbende concludeert tot integrale vernietiging van de naheffingsaanslag en van de beschikking belastingrente. Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in hoger beroep toe te kennen.
De inspecteur concludeert tot ongedaanmaking van de door de rechtbank toegepaste vermindering van de naheffingsaanslag.