Home

Hoge Raad, 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:59, 24/04619

Hoge Raad, 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:59, 24/04619

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 januari 2026
Datum publicatie
16 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:59
Formele relaties
Zaaknummer
24/04619

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting en belastingrente; art. 30hb AWR; art. 1, aanhef en letters a en b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente; art. 1 Grondwet; artt. 6, 7 en 14 EVRM; art. 1 EP; art. 48 tot en met 50 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; vaststelling hoogte belastingrentepercentage; motiveringsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/04619

Datum 16 januari 2026

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024, nr. LEE 23/52441, betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

1.1

De Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Waaijer en R.J.E. Dijkstra, heeft een verweerschrift ingediend.

1.2

De Hoge Raad heeft op grond van artikel 29 AWR in samenhang gelezen met artikel 8:12b Awb anderen dan partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken en heeft naar aanleiding daarvan 149 schriftelijke reacties ontvangen.2 De Staatssecretaris en belanghebbende zijn in de gelegenheid gesteld om op die schriftelijke opmerkingen te reageren. De Staatssecretaris heeft een inhoudelijke reactie ingediend.

1.3

De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 26 september 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.3Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende heeft op 27 juni 2023 voor het boekjaar 2021 aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan en daarin een belastbaar bedrag aangegeven van € 4.034.204.

2.2

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 juli 2023 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2021 opgelegd in overeenstemming met de ingediende aangifte. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 90.969 aan belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023. Deze belastingrente is berekend naar het percentage van 8 dat in die periode voor de vennootschapsbelasting gold volgens artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente (tekst 2022 en 2023; hierna: het Besluit).

2.3

Op grond van die bepaling is het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting4 gelijk aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente wegens vertraging in de voldoening van een geldsom bij een handelsovereenkomst, als bedoeld in de artikelen 6:119a en 6:119b BW, met dien verstande dat het percentage ten minste 8 bedraagt. Voor andere belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, geldt volgens artikel 1, letter a, van het Besluit een lager rentepercentage.

3 De oordelen van de Rechtbank

3.1

Voor de Rechtbank was in geschil of de bepaling in het Besluit waarin de hoogte van het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting is geregeld, is vastgesteld in strijd met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel.

3.2.1

De Rechtbank heeft in het kader daarvan in de eerste plaats beoordeeld of de regelgever de te toetsen bepaling zorgvuldig heeft voorbereid en voldoende heeft gemotiveerd, in die zin dat het op basis van die motivering voor de rechter mogelijk is om te toetsen aan – in dit geval – het evenredigheidsbeginsel.

3.2.2

De Rechtbank is van oordeel dat de bestreden bepaling in het Besluit aan die eisen voldoet. Zij heeft daartoe overwogen dat de motivering van het voor de vennootschapsbelasting gehanteerde percentage van de belastingrente kan worden opgemaakt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling. De Rechtbank wijst in dat verband op de totstandkoming van de Verzamelspoedwet COVID-195. Die wet bevat de delegatiebepaling van artikel 30hb AWR, op grond waarvan het percentage van de belastingrente niet meer in de wet wordt geregeld maar in een algemene maatregel van bestuur. De wetgever heeft verwezen naar de percentages die golden onder het oude regime. Onder dat oude regime is uitdrukkelijk aandacht besteed aan de gevolgen voor vennootschapsbelastingplichtigen. Het hanteren van een hoger rentepercentage voor die groep is destijds gemotiveerd door erop te wijzen dat het voornamelijk ondernemers zijn, zodat het logisch is om aan te sluiten bij de gedachte achter de wettelijke rente die geldt in het handelsverkeer, waar een hoger rentepercentage geldt dan in het niet-handelsverkeer. Verder heeft de regelgever naar het oordeel van de Rechtbank bij het voorbereiden van het besluit om de hoogte van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting na een coulanceperiode in verband met de coronapandemie als uitgangspunt weer op minimaal 8 procent te stellen, de negatieve gevolgen daarvan voor de hiervoor bedoelde groep belastingplichtigen betrokken. De Rechtbank is van oordeel dat het mogelijk is om op basis van deze onderbouwing de bestreden regeling in het Besluit inhoudelijk te toetsen aan het materiële evenredigheidsbeginsel.

3.3.1

Bij die toetsing heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de rechter de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt toen hij de regel invoerde, terughoudend moet toetsen en ervoor moet zorgen dat hij niet vaart op zijn eigen inzichten over de wenselijkheid van de regel of op zijn eigen (rechtspolitieke) voorkeuren. Waar het bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel op neerkomt, is dat de rechter moet bekijken of de regelgever bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de desbetreffende regel heeft kunnen komen, aldus de Rechtbank.

3.3.2

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de regelgever in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot het koppelen van het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting aan de wettelijke rente voor handelstransacties, met een ondergrens van 8. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat een nog niet geformaliseerde, materiële belastingschuld niet is aan te merken als een handelsvordering en daarmee ook niet vergelijkbaar is.

3.3.3

Verder heeft de Rechtbank overwogen dat de nadelige gevolgen voor vennootschapsbelastingplichtigen evident zijn: een minimumpercentage van 8 is in absolute zin reeds fors en was in de praktijk in feite steeds het dubbele van wat andere belastingplichtigen voor de kiezen kregen.

3.3.4

Wat betreft het doel dat de wet- en regelgever met betrekking tot het (hogere) rentepercentage voor vennootschapsbelastingplichtigen voor ogen heeft gehad, heeft de Rechtbank overwogen dat het haar de nodige moeite heeft gekost om dat doel te achterhalen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wettelijke regeling van de belastingrente met ingang van 2013 heeft de Rechtbank afgeleid dat de belangen van de regelgever toen zagen op een tijdige vaststelling van belastingaanslagen, zodat sparen bij de Belastingdienst door belastingplichtigen werd voorkomen, en dat de belastingrenteregeling is gebaseerd op de regeling van de verzuimrente in het bestuursrecht (de Awb). De Rechtbank heeft geconstateerd dat die regeling in de Awb betrekking heeft op te late betaling, en dat de regelgever bij de invoering van de belastingrenteregeling een andersoortig verzuim voor ogen stond, te weten het niet tijdig of niet correct doen van aangifte. De Rechtbank heeft in de verwijzing naar de verzuimrente in het bestuursrecht dan ook geen rechtvaardiging gezien voor de onderhavige regel.

3.3.5

Gelet op dit een en ander is de Rechtbank tot de conclusie gekomen dat de regelgever bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot de betrokken regel heeft kunnen komen. De duidelijke, aanzienlijk nadelige gevolgen voor vennootschapsbelastingplichtigen zijn naar haar oordeel onevenredig in verhouding tot de met de regel te dienen, onduidelijke doelen die op een zwak fundament rusten, aldus de Rechtbank. Zij acht artikel 1, letter b, van het Besluit daarom onverbindend.

3.3.6

De Rechtbank heeft de bij beschikking vastgestelde belastingrente om die reden verminderd en vastgesteld naar een percentage van 4, in overeenstemming met het – voor dat geval – gezamenlijke standpunt van partijen.

4 Beoordeling van het middel

5 Proceskosten

6 Beslissing