Home

Parket bij de Hoge Raad, 08-01-2019, ECLI:NL:PHR:2019:160, 18/01798

Parket bij de Hoge Raad, 08-01-2019, ECLI:NL:PHR:2019:160, 18/01798

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
8 januari 2019
Datum publicatie
19 februari 2019
ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:160
Formele relaties
Zaaknummer
18/01798

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. OM-cassatie, beklag tegen beslag ex art. 94 en 94a Sv op inventaris van autoschadeherstelbedrijf van de klager. Toetsingskader ingeval van beslag ex art. 94a lid 3 Sv. De AG stelt dat art. 1 Eerste Protocol EVRM een invulling van de toepasselijke maatstaf – of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregeling ex art. 36f Sr zal opleggen – vereist die meebrengt dat er tenminste concrete aanwijzingen moeten zijn dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de bedoelde maatregel is voldaan, wil het voortduren van het beslag gerechtvaardigd zijn. De AG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het cassatieberoep zal verwerpen.

Conclusie

Nr. 18/01798 B

Zitting: 8 januari 2019

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 9 februari 2018 het klaagschrift van de klager ex. art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van onder hem in beslag genomen goederen, te weten auto’s, auto-onderdelen, gereedschap en hulpmiddelen, ten aanzien van de auto’s en auto-onderdelen ongegrond verklaard en ten aanzien van het gereedschap en de hulpmiddelen gegrond verklaard en daarvan de teruggave gelast aan de klager.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door de officier van justitie. Mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de klager heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.

3 Waarom het in deze zaak gaat

Het gaat in deze zaak om het volgende. Onder de klager is op 17, 18 en 29 augustus 2017 wegens verdenking van (gewoonte-)heling klassiek beslag (art. 94 Sv) gelegd op de volledige bedrijfsvoorraad en –inventaris van zijn autoschadeherstelbedrijf [A]. Het beslag omvat niet alleen alle auto’s en auto-onderdelen, maar ook alle gereedschap en alle hulpmiddelen van het bedrijf, waaronder een brug en een vorkheftruc. In feite is het hele bedrijf van de verdachte stilgelegd; de loods waarin dat bedrijf is gevestigd, is zelfs geruime tijd – vanaf 18 augustus 2017 tot in oktober 2017 – verzegeld geweest. Op 29 november 2017 is door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag (art. 94a Sv). De machtiging en bijbehorende vordering zijn daags voor de (tweede) raadkamerbehandeling van 1 december 2017 ter kennis gebracht van de rechtbank en de raadsman van de klager. Op de (derde) raadkamerbehandeling van 9 februari 2018 heeft de officier van justitie als “aanvullend standpunt” aangevoerd dat er conservatoir beslag is gelegd ten behoeve van een eventueel op te leggen schadevergoedingsmaatregel.1 De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ten aanzien van de auto’s en auto-onderdelen ongegrond verklaard en ten aanzien van het gereedschap en de hulpmiddelen (hierna tezamen te noemen: gereedschap) gegrond verklaard. Het cassatieberoep beperkt zich tot de gegrondverklaring ten aanzien van het gereedschap.

4 De bestreden beschikking

4.1.

De bestreden beschikking bevat – voor zover van belang – de volgende overwegingen:

Inleiding

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 17, 18 en 29 augustus 2017 gelegde beslag op diverse, hierna onder ‘beoordeling’ nader aan te duiden, voorwerpen en de teruggave daarvan aan klager.

De rechter heeft kennis genomen van een gedeelte van het strafdossier met bovenstaand parketnummer. De rechter stelt vast dat de rechtbank op 31 oktober 2017 de behandeling van het klaagschrift heeft aangehouden tot 01 december 2017, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een complete beslaglijst beschikbaar te stellen. Voorts stelt de rechter vast dat op 01 december 2017 is besloten de behandeling van het klaagschrift voor de duur van één maand aan te houden, teneinde klager in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat de inbeslaggenomen voorwerpen niet van diefstal afkomstig zijn.

Op 09 februari 2018 is het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Klager en de raadsman van klager, mr. M.J.J.E. Stassen, zijn in raadkamer verschenen. De raadsman van klager heeft verzocht om gegrondverklaring van het klaagschrift. De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat zijn cliënt van alle auto’s en alle 4.004 in beslag genomen auto-onderdelen kan aantonen dat deze niet van diefstal afkomstig zijn en tot de normale bedrijfsvoering van zijn cliënt behoren. De raadsman heeft zich - zo de rechter begrijpt - op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van alle in beslag genomen voorwerpen. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat, in het verlengde van hetgeen eerder is aangevoerd, er geen schade kan zijn geleden door anderen, waardoor er geen conservatoir beslag aan de orde kan zijn met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zich tegen teruggave van de auto’s en 4.004 auto-onderdelen verzet. Immers is niet hoogst onwaarschijnlijk dat, de strafrechter later oordelend, deze voorwerpen verbeurd zal verklaren, dan wel de onttrekking aan het verkeer zal gelasten. Als aanvullend standpunt ten aanzien van het, later gelegde, conservatoire beslag op alle in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie aangevoerd dat het veiligstellen van de mogelijkheid van verhaal ten behoeve van een eventueel op te leggen schadevergoedingsmaatregel zich verzet tegen gegrondverklaring van het klaagschrift.

Beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na voornoemde inbeslagneming.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat hij op grond van het dossier ervan uitgaat dat onder klager in beslag zijn genomen acht personenauto’s en 4.004 auto-onderdelen, zoals vermeld op de overgelegde beslaglijst (hierna te noemen: auto’s en auto-onderdelen), alsmede alle in de bedrijfsruimte van klager aan [a-straat] te [plaats] zich bevindende gereedschappen en hulpmiddelen, waaronder een heftruck en een werkbrug (hierna tezamen te noemen: gereedschap). Tussen partijen is niet in geschil dat ook het gereedschap in beslag is genomen. De rechtbank gaat er voorts vanuit dat het klaagschrift betrekking heeft op alle hiervoor aangeduide beslagen voorwerpen.

Auto ’s en auto-onderdelen

De rechtbank is, in navolging van hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de auto’s en auto-onderdelen. Uit twee op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, als bijlage gevoegd bij de door de officier van justitie ingediende conclusie, volgt dat er op het terrein van klager een gestolen auto van het merk BMW is aangetroffen, alsmede in de bedrijfsruimte van klager meerdere chassis waaruit het chassisnummer is verwijderd en 61 auto-onderdelen die van diefstal afkomstig zijn. Klager heeft bij de behandeling in raadkamer ook toegegeven dat hij beschikte over chassis waarvan het nummer was verwijderd. Door de Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (hierna: Vbv) is vervolgens onderzoek verricht naar de 4.004 (voertuig-)onderdelen die in beslag zijn genomen onder klager. Uit de voorlopige onderzoeksresultaten is naar voren gekomen dat van 1.271 onderdelen is vast komen te staan dat deze van diefstal afkomstig zijn. Het grootste deel van de overige onderdelen moet nog worden onderzocht. Dit zou betekenen dat ten minste ongeveer 31 procent van de onderdelen die klager in zijn bezit had bestaat uit onderdelen met een illegale herkomst. Gelet op de hiervoor genoemde bevindingen van de politie en de Vbv, bijeengenomen is het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen (voertuig-)onderdelen verbeurd zal verklaren.

Hetgeen klager als verweer, onderbouwd met stukken, heeft aangevoerd brengt de rechter niet tot een ander oordeel. Daarbij is ten eerste van belang dat hetgeen klager schriftelijk heeft aangevoerd geen betrekking heeft op de personenauto’s genoemd op de beslaglijst onder 2, 7 en 8. Voor wat betreft de personenauto genoemd op de beslaglijst onder 2 heeft klager bij de behandeling in raadkamer enkel gesteld, maar niet onderbouwd, dat deze niet van misdrijf afkomstig is. Voor wat betreft de overige auto’s en de auto-onderdelen overweegt de rechter voorts, nog daargelaten of wat klager heeft aangevoerd in alle gevallen eenduidig te herleiden is tot de beslagen auto’s of auto-onderdelen, dat klager zijn stelling dat deze voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn kennelijk baseert op informatie van de website www.stopheling.nl. Deze informatie acht de rechter onvoldoende om af te doen aan de bevindingen van de politie en Vbv. De rechter kan niet vaststellen dat de website www.stopheling.nl over dezelfde informatie beschikt als de politie. Niet kan worden uitgesloten dat de informatie van bedoelde website onvolledig en/of niet actueel is.

Het klaagschrift zal reeds hierom voor zover het betrekking heeft op de auto’s en auto-onderdelen ongegrond worden verklaard.

Gereedschap

Met betrekking tot het gereedschap stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie niet heeft gesteld dat, laat staan welke, er een grond als genoemd in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) aanwezig is voor het beslag hierop, dan wel het voortduren van dit beslag. De rechtbank gaat er daarom van uit dat een dergelijke grond niet aanwezig is. De officier van justitie heeft wel gesteld dat het gestelde in artikel 94a Sv. het voortduren van het beslag (ook) in zoverre rechtvaardigt, omdat het beslag zou dienen ter verzekering van de betaling van een aan klager op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Bij de beoordeling hiervan is van belang dat klager wordt verdacht van (gewoonte-)heling. Toewijzing van een vordering van een benadeelde partij voor schade door diefstal in een strafzaak tegen de heler van het gestolen voorwerp kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden enkel aan de orde zijn indien, kortweg, de heling en de diefstal dicht tegen elkaar aanliggen, waarbij onder meer het tijdsverloop tussen de diefstal en de heling een relevante omstandigheid is. In dit geval heeft de officier van justitie niet gesteld dat sprake is van heling die dicht tegen de diefstal aanligt in de hier bedoelde zin. Dat daarvan sprake is, is ook overigens op grond van het dossier en het verhandelde in openbare raadkamer niet aannemelijk geworden. Gelet hierop acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat aan klager te zijner tijd een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.

Het klaagschrift zal daarom voor zover het betrekking heeft op het gereedschap gegrond worden verklaard en de rechtbank zal gelasten dat het gereedschap aan klager wordt teruggegeven.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beklag ten aanzien van de auto’s en auto-onderdelen (zoals vermeld op de overgelegde beslaglijst) ongegrond;

- verklaart het beklag ten aanzien van het gereedschap (zoals hiervóór in de uitspraak omschreven) gegrond en gelast de teruggave hiervan aan klager.”

5 Het eerste middel

5.1.

Het middel klaagt over de gegrondverklaring van het beklag tegen het klassieke beslag op het gereedschap. De klacht houdt kort gezegd in dat – gelet op hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd – het oordeel van de rechtbank dat geen grond aanwezig is voor het voortduren van het beslag, niet zonder meer begrijpelijk is.

5.2.

Het middel keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat de officier van justitie niet heeft gesteld dat, laat staan welke, grond als bedoeld in art. 94 Sv aanwezig is voor (het voortduren van) het beslag op het gereedschap en dat er daarom van moet worden uitgegaan dat een dergelijke grond niet aanwezig is. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de officier van justitie wel degelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat naar zijn mening het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de zittingsrechter, later oordelend, zal komen tot een verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer van de onder klager in beslag genomen zaken. Daarbij wordt aangevoerd dat weliswaar geen onderscheid is gemaakt tussen de auto’s en auto-onderdelen enerzijds en het gereedschap anderzijds, maar dat steeds naar voren is gebracht dat het beslag op “al hetgeen is beslag is genomen” moet worden gehandhaafd.

5.3.

Ik begrijp de overweging van de rechtbank aldus, dat zij niet op de enkele grond dat de officier van justitie niet heeft gesteld welke van de in art. 94 Sv bedoelde gronden voor inbeslagneming zich voordoet, heeft geoordeeld dat een dergelijke grond niet aanwezig is. De rechtbank zal tot uitdrukking hebben willen brengen dat de aan haar overgelegde stukken en het verhandelde in raadkamer geen feiten en omstandigheden hebben opgeleverd die een aanknopingspunt bieden voor het oordeel dat zich een van de beslaggronden voordoet en dat, nu de officier van justitie niet specifiek ten aanzien van het gereedschap heeft aangegeven op welke beslaggrond het voortduren van het beslag zou rusten, er vanuit kan worden gegaan dat een dergelijke grond niet aanwezig is. Ik kan dat oordeel niet onbegrijpelijk vinden. Het valt immers, nu daaromtrent niets is aangevoerd, niet goed in te zien waarom de waarheidsvinding het voortduren van het beslag op het gereedschap zou vorderen, terwijl het, gelet op de wettelijke voorwaarden die aan onttrekking aan het verkeer en aan verbeurdverklaring zijn gesteld, voor hoogst onwaarschijnlijk kan worden gehouden dat de later oordelende strafrechter tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal overgaan. Het ongestoorde bezit van het gereedschap kan namelijk bezwaarlijk in strijd met de wet of het algemeen belang worden geoordeeld. De stukken gereedschap kunnen voorts, eventuele uitzonderingsgevallen daargelaten, niet worden aangemerkt als voorwerpen in de zin van art. 33a lid 1 Sr. Zij zijn, om mij tot de meest voor de hand liggende categorieën te beperken, niet grotendeels door middel van of uit de baten van de heling waarvan de klager wordt verdacht verkregen, noch voorwerpen met betrekking tot welke die heling is begaan of met behulp waarvan die heling is begaan of voorbereid.

5.4.

De vraag is of dit anders wordt doordat – zoals in de toelichting op het middel ook nog wordt aangevoerd – tijdens de eerste mondelinge behandeling in raadkamer d.d. 31 oktober 2017 wel onmiskenbaar het standpunt in zou zijn genomen dat het gereedschap voor verbeurdverklaring in aanmerking komt nu met behulp van dit gereedschap het strafbare feit is begaan of voorbereid. Gedoeld wordt op de volgende passage:

“Ik begrijp de belangen van klager bij teruggave van de spullen, maar het strafvorderlijk belang weegt op dit moment zwaarder. Ik zie frustratie bij klager, maar er zijn wellicht auto’s omgekat. Bij dit omkatten is gereedschap en de inventaris van de loods gebruikt en dat zou kunnen betekenen dat deze spullen ook in de toekomst niet teruggegeven gaan worden.”

Op grond van deze passage zou het – aldus nog steeds de toelichting op het middel – voor de hand hebben gelegen dat aan de klager (tevens) het misdrijf van art. 41 lid 1 onder c WVW 1994 en/of art. 219 Sr zal worden ten laste gelegd.

5.5.

Ik merk in de eerste plaats op dat de raadkamer bij de verschillende raadkamerbehandelingen telkens anders was samengesteld. Het proces-verbaal van de behandeling van 9 februari 2018 vermeldt dat de behandeling wordt hervat in de stand waarin die zich op 1 december 2017 bevond. Een vergelijkbare vermelding met betrekking tot de behandeling op 31 oktober 2017 ontbreekt in het proces-verbaal van de behandeling op 1 december 2017. De vraag is of het er daarom, gelet op het bepaalde in art. 322 lid 3 Sv, dat van overeenkomstige toepassing is2, niet voor moet worden gehouden dat de raadkamer op 1 december 2017 heeft bevolen dat de behandeling opnieuw wordt aangevangen. Dat betekent dat de raadkamer geen acht mocht slaan op hetgeen op 31 oktober 2017 in raadkamer is voorgevallen en dat daarop dus ook in cassatie geen beroep kan worden gedaan.

5.6.

Voor wie dat te formalistisch vindt, merk ik in de tweede plaats op dat het proces-verbaal van de dezelfde openbare raadkamerbehandeling van 31 oktober 2017 ook het volgende inhoudt:

“De rechter:

- Schorst de behandeling van het klaagschrift tot de raadkamer van 1 december 2017 om 16.00 uur teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een complete beslaglijst beschikbaar te stellen aan raadsman en rechtbank;

- Verzoekt de officier van justitie aan de rechtbank en aan de raadsman een complete beslaglijst en een standpunt van het openbaar ministerie waarin het strafvorderlijk belang van voortduren van beslag op goederen specifiek wordt aangegeven te verstrekken”

Uit dit verzoek aan de officier van justitie heeft deze kunnen opmaken dat de rechtbank de stelling dat de klager “wellicht” auto’s heeft omgekat, niet aanmerkte als een voldoende specifieke opgave van de gronden waarop het voorduren van het beslag op het gereedschap berustte. Noch uit de aanvullende conclusie van het openbaar ministerie van 28 november 2017, noch uit de processen-verbaal van de openbare raadkamerbehandelingen van 1 december 2017 en 9 februari 2018 kan ik opmaken dat de officier van justitie de bedoelde stelling heeft onderbouwd en geconcretiseerd dan wel een ander standpunt naar voren heeft gebracht waarin meer specifiek ten aanzien van het gereedschap het strafvorderlijk belang van het voortduren van beslag is aangegeven. Het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie niet heeft gesteld waarin dat strafvorderlijk belang was gelegen, kan daarom ook in het licht van het verhandelde op 31 oktober 2017 niet onbegrijpelijk genoemd worden.

5.7.

Ik merk in de derde plaats op dat de enkele mogelijkheid (“wellicht”) dat de klager zich schuldig heeft gemaakt aan het omkatten van auto’s onvoldoende is om inbeslagneming te rechtvaardigen. Daarvoor is tenminste een op feiten en omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden van schuld aan het bedoelde strafbare feit vereist. Op dergelijke feiten en omstandigheden is door de officier van justitie geen beroep gedaan, zodat de rechtbank kon oordelen dat de klager niet van omkatten werd verdacht, althans dat van een redelijke verdenking ter zake geen sprake was. Ik laat bij dit alles nog daar dat, zo van omkatten door de klager sprake is geweest, moeilijk valt vast te stellen met welk gereedschap dat precies is gebeurd en die omstandigheid wel eens zou kunnen maken dat verbeurdverklaring van (al?) het gereedschap hoogst onwaarschijnlijk moet worden geacht.

5.8.

Het middel faalt.

6 Het tweede middel