Home

Rechtbank Den Haag, 23-01-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6245, AWB - 24 _ 9651

Rechtbank Den Haag, 23-01-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6245, AWB - 24 _ 9651

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23 januari 2026
Datum publicatie
2 april 2026
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6245
Zaaknummer
AWB - 24 _ 9651
Relevante informatie
Art. 45 SW, Art. 30g AWR, BPB

Inhoudsindicatie

Belastingrente. Gesteld voor de vraag wat bij de uitleg van artikel 30g, vierde lid, AWR de doorslag moet hebben, de eenduidige tekst van de bepaling dan wel een onzekere aanwijzing uit de parlementaire toelichting, kiest de rechtbank voor het eerste. Het gelijk is daarmee aan eiseres, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 24/9651

(gemachtigde: J. Linnekamp),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een voorlopige aanslag erfbelasting opgelegd. Daarbij heeft hij belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak van 30 oktober 2024 de beschikking heffingsrente op het daartegen gerichte bezwaar gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer SGR 25/474 van [naam 3] , zuster van eiseres.

Overwegingen

Feiten

1. Op [dag] 2023 overleed mevrouw [erflaatster] (erflaatster). Zij had bij testament eiseres en haar zuster als de erfgenamen aangewezen.

2. Verweerder heeft eiseres bij brief van 25 augustus 2023 uitgenodigd om vóór 13 januari 2024 aangifte erfbelasting te doen.

3. Met dagtekening 26 januari 2024, door verweerder ontvangen op 31 januari 2024, verzocht de gemachtigde om een voorlopige aanslag. Daarbij vermeldde hij € 1.339.945 als het bedrag waarover eiseres vermoedelijk erfbelasting verschuldigd was.

4. Gedagtekend 21 februari 2024 heeft verweerder overeenkomstig het verzoek een voorlopige aanslag erfbelasting aan eiseres opgelegd naar een te betalen bedrag van € 249.541. Daarbij heeft hij € 4.211 aan belastingrente in rekening gebracht.

Geschil

5. In geschil is of verweerder terecht belastingrente in rekening heeft gebracht.

6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan binnen de in artikel 30g, vierde lid, van de AWR gestelde termijn (wat het standpunt is van eiseres) dan wel daarbuiten (standpunt verweerder).

Beoordeling van het geschil

7. Artikel 45, eerste lid, van de Successiewet (SW) luidt:

“De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor de erfbelasting zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan acht maanden na het overlijden.”

Op grond van artikel 30g, eerste lid, van de AWR wordt in beginsel over het op een aanslag erfbelasting verschuldigde bedrag belastingrente in rekening gebracht. Het vierde lid van dat artikel bepaalt evenwel:

“Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de belastingaanslag ter zake van het overlijden is vastgesteld overeenkomstig een verzoek of overeenkomstig een ingediende aangifte indien het verzoek, onderscheidelijk de aangifte, is ontvangen voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden.”

8. Het geschil draait om de vraag hoe de woorden “voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden” moeten worden uitgelegd. Volgens eiseres is de betekenis van deze bewoording dat het verzoek om een voorlopige aanslag moet zijn ingediend voor de eerste dag van de negende maand na die, waarin erflaatster is overleden. Verweerder leest deze bepaling zó, dat het verzoek moet zijn ingediend voordat acht maanden na het overlijden zijn verstreken.

9. Taalkundig betekent “de eerste dag van de negende maand na het overlijden”: de eerste dag van de negende maand die volgt op de maand waarin het overlijden plaatsvond. Hoe een tijdsverloop van acht maanden spraakgebruikelijk wordt verwoord, is te vinden in artikel 45, eerste lid, SW: “acht maanden na het overlijden”.

10. Verweerder beroept zich voor zijn uitleg op de navolgende passage uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee de bepaling werd geïntroduceerd:1

“Aanpassen belastingrente erfbelasting

Door een in het Belastingplan 2019 opgenomen wijziging van de AWR is met ingang van 1 januari 2019 bepaald dat degene die voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden – dus binnen de aangiftetermijn die als hoofdregel geldt bij een verkrijging in verband met een overlijden – verzoekt om een voorlopige aanslag of aangifte doet, geen belastingrente in rekening wordt gebracht indien de (voorlopige of definitieve) aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig dat verzoek of die aangifte.”

11. Hoewel bij de uitleg van de belastingwet niet een (strikte) hiërarchie tussen de interpretatiemethoden wordt gehanteerd, geldt niettemin als uitgangspunt dat de wet moet worden begrepen als zij luidt. De tekst van artikel 30g, vierde lid, van de AWR roept niet in zichzelf vragen op, en dat doet evenmin de manier waarop zij uitwerkt. Voor de adressant van de bepaling bestaat daarmee geen aanleiding zich in de totstandkomingsgeschiedenis te begeven: als de wetgever een termijn van acht maanden zou hebben bedoeld, had hij er wel voor gekozen in artikel 30g, vierde lid, AWR dezelfde bewoording te hanteren als in 45, eerste lid, SW. Langs deze lijn wordt überhaupt niet eraan toegekomen de parlementaire behandeling bij de interpretatie te betrekken.

12. Ondertussen is het maar de vraag wat nu eigenlijk is gezegd met de passage uit de toelichting waarop verweerder zich beroept.

Verweerder veronderstelt klaarblijkelijk dat met de opmerking tussen de gedachtestreepjes is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de termijn van artikel 30g, eerste lid, AWR samenvalt met die van artikel 45, eerste lid SW. Artikel 45, eerste lid, SW bevat echter geen termijn. Het artikellid bepaalt slechts dat de termijn voor het doen van aangifte niet op minder dan acht maanden wordt gesteld. “De aangiftetermijn die als hoofdregel geldt” kan dan ook bezwaarlijk anders worden begrepen dan als: de aangiftetermijn zoals deze in de regel wordt gesteld.

De passage tussen gedachtestreepjes kan zeer wel zó worden opgevat, dat daarmee slechts is toegelicht dat voor de termijn van artikel 30g, vierde lid, AWR aansluiting is gezocht bij de aangiftetermijn. Ook een termijn die eindigt op de eerste dag van de negende maand na die van het overlijden sluit aan bij de klaarblijkelijk in de regel op acht maanden na het overlijden gestelde termijn voor aangifte.

De duiding dat de bewuste passage tot uitdrukking brengt dat “de eerste dag van de negende maand na overlijden” moet worden begrepen als “acht maanden na overlijden” is daarmee in ieder geval niet dwingend.

13. Gesteld voor de vraag wat bij de uitleg van artikel 30g, vierde lid, AWR de doorslag moet hebben, de eenduidige tekst van de bepaling dan wel een onzekere aanwijzing uit de parlementaire toelichting, kiest de rechtbank voor het eerste. Het gelijk is daarmee aan eiseres, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Proceskosten

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

15. De rechtbank neemt in aanmerking dat het geschil in de onderhavige zaak gelijk is aan dat in de zaak met nummer SGR 25/474, dat in beide zaken dezelfde gemachtigde is opgetreden en die in beide zaken inhoudelijk gelijkluidende stukken heeft ingediend. De rechtbank merkt de beroepen in beide zaken daarom aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Zij rekent daarom de helft van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten, derhalve € 1.600, toe aan de onderhavige zaak en de andere helft aan de zaak met nummer SGR 25/474.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-

vernietigt de beschikking belastingrente;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.600;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).