Splitsingsbewijsvermoeden bij verkoop binnen drie jaar in strijd met Fusierichtlijn

Splitsingsbewijsvermoeden bij verkoop binnen drie jaar in strijd met Fusierichtlijn

Gegevens

Nummer
2026/334
Publicatiedatum
2 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:298
Rubriek
Uitspraak

De Hoge Raad oordeelt dat het wettelijke vermoeden dat een splitsing niet zakelijk is bij aandelenverkoop binnen drie jaar, in strijd is met de Fusierichtlijn. Het hof had de bewijslast daarom onjuist verdeeld.


Een nv die uitvaartverzekeringsactiviteiten verricht, maakt deel uit van een verzekeringsgroep waarvan de aandeelhouder in 2015 is verhuisd naar Luxemburg. Binnen de groep lopen al jaren geschillen met de inspecteur over herverzekeringen, wat heeft geleid tot forse onzekerheden en toezicht door DNB. In 2017 wil de nv haar onderneming verkopen aan een derde. Zij kiest voor een juridische afsplitsing gevolgd door verkoop van het aandeel in de nieuwe vennootschap. De inspecteur weigert toepassing van de splitsingsfaciliteit van artikel14a Wet vpb 1969, omdat de verkoop binnen drie jaar plaatsvindt en volgens hem niet aannemelijk is dat de splitsing zakelijk is. Het hof gaat daarin mee. In cassatie draait het geschil om de vraag wie moet bewijzen dat sprake is van zakelijke overwegingen en of het vermoeden uit artikel 14a, lid 6, Wet vpb standhoudt onder de Fusierichtlijn.

Bewijsvermoeden strijdig met EU-recht De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 14a Wet vpb richtlijnconform moet worden uitgelegd. De Fusierichtlijn staat slechts een (weerlegbaar) vermoeden van belastingontwijking toe als een transactie uitsluitend fiscale motieven heeft. De nationale regel die bij elke aandelenverkoop binnen drie jaar automatisch veronderstelt dat géén zakelijke overwegingen bestaan, zonder dat de inspecteur enig begin van bewijs hoeft te leveren, is te ruim en functioneert als een algemeen vermoeden. Dat is in strijd met artikel 15 Fusierichtlijn. Het vermoeden moet daarom buiten toepassing blijven.

Inspecteur moet begin van bewijs leveren Omdat het hof het wettelijke vermoeden tóch heeft toegepast en de volledige bewijslast bij de nv heeft gelegd, is het uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast. De inspecteur moet altijd op zijn minst enig bewijs aandragen dat geen zakelijke motieven aanwezig zijn of dat belastingontwijking het hoofddoel is. Het hof heeft dat miskend. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak. Wel merkt hij op dat zowel het einddoel (verkoop) als de gekozen route (splitsing) zakelijk moeten zijn, en dat aandeelhoudersmotieven daarbij niet per definitie onzakelijk zijn.

Bron: Hoge Raad 27-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:298
Wet: art. 14a Wet Vpb 1969 (tekst 2017), art. 4 en art. 15 Fusierichtlijn (Richtlijn 2009/133/EG)