Home

Gerechtshof Amsterdam, 18-03-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1155, 24/189

Gerechtshof Amsterdam, 18-03-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1155, 24/189

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18 maart 2025
Datum publicatie
24 juli 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:1155
Zaaknummer
24/189
Relevante informatie
Art. 2 WBRV, Art. 15 lid 1 onderdeel g WBRV

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag overdrachtbelasting terecht opgelegd?

De vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV is niet van toepassing. De economische gerechtigheden tot de woning van belanghebbende en zijn voormalige partner lagen namelijk niet binnen de vereiste bandbreedte.

Het beroep op onderdeel 8 van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 3 juni 2014, nr. BLKB 2014/194M, baat belanghebbende niet.

Uitspraak

kenmerk 24/189

18 maart 2025

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 15 december 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/4480 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende over een aan hem opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ongegrond verklaard, nadat de inspecteur die aanslag in bezwaar had gehandhaafd.

1.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend, waarvan hij de gronden later heeft aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarop heeft belanghebbende gereageerd bij brief van 23 mei 2024, en de inspecteur heeft op die reactie weer gereageerd bij brief van 10 juni 2024.

1.3.

Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota toegezonden.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

Het Hof gaat uit van de volgende, door de rechtbank reeds vastgestelde feiten, waarover tussen partijen geen geschil bestaat.

2.1.

Bij authentieke akte van 14 maart 2003 hebben belanghebbende en zijn voormalige partner, [naam] (hierna: [naam] ), [stichting] (hierna: de Stichting) opgericht. De Stichting heeft onder meer ten doel het voor rekening van de houders van door de Stichting met betrekking daartoe uit te geven certificaten, in eigendom verwerven, beheren en exploiteren van onroerende zaken, aangemerkt als beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet, in het bijzonder van het pand met aanbehoren, staande en gelegen te [Z] , [straat] 46, 48, 50, kadastraal bekend als gemeente [Z] , [adres] (hierna: de woning).

2.2.

Bij een tweede authentieke akte van 14 maart 2003 heeft de Stichting twee certificaten uitgegeven aan belanghebbende en [naam] , tot welke certificaten zij elk voor een tweede gedeelte zijn gerechtigd. Bij authentieke akte van 21 maart 2003 is de woning aan de Stichting geleverd. De koopprijs van de woning bedroeg € 1.420.000.

2.3.

In verband met de verwerving van de woning door de Stichting en de verbouwing van de woning is door belanghebbende ten behoeve van [naam] een bedrag ter beschikking gesteld van € 450.000. In een niet ondertekende conceptovereenkomst van geldlening (gedateerd 13 maart 2003/14 april 2003) is onder meer bepaald dat [naam] over het niet afgeloste deel van de hoofdsom geen rente verschuldigd is, maar dat de vordering zowel in positieve als in negatieve zin wordt geïndexeerd naar de waarde van de woning (beleggingsleer).

2.4.

Op 28 september 2007 hebben belanghebbende en [naam] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin het volgende is opgenomen ten aanzien van het door belanghebbende aan [naam] ter beschikking gestelde bedrag:

“1. [De Stichting] is gerechtigd tot: [de woning], van de eigendom van welk registergoed genoemde stichting certificaten heeft uitgegeven aan [belanghebbende] en [ [naam] ], beiden wonende te [Z] , en wel aan ieder van hen een gelijk aantal certificaten.

2. [ Belanghebbende] heeft van de kosten van verwerving en daarna gepleegd onderhoud drie vierden betaald, zodat hij op [ [naam] ] een vordering heeft wegens te leen gegeven gelden gelijk aan een vierde van de totale kosten, neerkomend op vierhonderd vijftigduizend euro (€ 450.000,00).

3. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [belanghebbende] in plaats van een vergoedingsvordering op [ [naam] ] ad vierhonderd vijftigduizend euro (€ 450.000,00) een vordering op laatstgenoemde heeft waarvan het beloop correspondeert met het economisch belang van de helft van de ten name van [ [naam] ] gestelde certificaten in [de woning]. Zie [#] .

4. In totaliteit is [belanghebbende] op grond van het vorenstaande in economische zin voor drie vierden gerechtigd in [de woning] en [ [naam] ] voor een vierde.”

2.5.

Bij authentieke akte van 16 augustus 2016 hebben belanghebbende en [naam] hun samenlevingsovereenkomst gewijzigd. In deze akte is onder meer het volgende opgenomen:

“3. Bij akte van uitgifte certificaten op veertien maart tweeduizend drie (…) heeft de stichting aan de certificaathouders gezamenlijk in onverdeelde eigendom en wel voor wat betreft [ [naam] ] een/tweede gedeelte en voor wat betreft [belanghebbende] een/tweede gedeelte (…) twee (2) certificaten uitgegeven (…).

(…)

5. (…)

Partijen hebben bij onderhandse akte, waarvan een kopie aan deze akte is gehecht, vastgesteld dat de economische gerechtigdheid van partijen in gemelde twee certificaten als volgt is:

- [ [naam] ] vijfentwintig procent;

- [ belanghebbende] vijfenzeventig procent.

(…)

VERBREKING

Artikel 5

(…)

a. Indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt heeft [belanghebbende] het eerste recht de certificaten van [ [naam] ] (…) over te nemen. (…)

b. (…)

c. (…)

d. De partij aan wie de certificaten worden toegescheiden is verplicht beide hypothecaire geldleningen over te nemen en de andere partij deswege te vrijwaren;

voorts zal de overnemende partij het aandeel van de andere partij in de overwaarde van de certificaten tegelijk bij de toescheiding van de certificaten moeten uitkeren.

e. In het geval geen van partijen de toescheiding van de certificaten wenst zullen partijen tot verkoop overgaan van [de woning] (…);

de verdeling van de verkoopopbrengst zal geschieden in de verhouding vijfenzeventig procent (75%) voor [belanghebbende] en vijfentwintig procent (25%) voor [ [naam] ] (…).

VERBLIJVENSBEDING BIJ OVERLIJDEN

Artikel 6

(…)

b. bij het overlijden van [ [naam] ] verblijft haar aandeel in de certificaten A.1 en A.2 aan [belanghebbende], zijnde één/vierde aandeel in de economische waarde, (…);

bij het overlijden van [belanghebbende] verblijft zijn aandeel in de certificaten A.1 en A.2 aan [ [naam] ] , zulks onder de verplichting aan de erfgenamen van [belanghebbende] schuldig te erkennen een bedrag ter grootte van drie/vierde (3/4e) van de waarde van de certificaten, (…)”

2.6.

Wegens beëindiging van de samenleving zijn bij authentieke akte van 24 juni 2020 de certificaten toebedeeld aan belanghebbende, zulks tegen een vergoeding door belanghebbende aan [naam] van een bedrag van € 1.500.000. In de akte is verder vermeld dat de certificaten in de verdeling zijn betrokken voor een waarde van € 3.000.000, zijnde de waarde van de woning, en dat belanghebbende ingevolge de onder 4 geciteerde vaststellingsovereenkomst een vergoedingsvordering op [naam] had van € 750.000. Ter zake van de toebedeling van het onverdeelde aandeel in de certificaten van [naam] aan belanghebbende wordt in de akte een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV).

2.7.

In verband met hetgeen is vermeld onder 2.6 heeft de notaris aan belanghebbende een afrekening verstrekt waarvan de inhoud, voor zover hier van belang, als volgt kan worden weergegeven:

te betalen:

uitkering inzake verdeling certificaten

1.500.000,00

kosten verdeling

-

(…)

hypotheekkosten

-

(…)

notariskosten

-

(…)

transporteren

(…)

transport

(…)

te ontvangen:

verrekening vergoedingsvordering

750.000,00

reeds voldaan door storting waarborgsom

-

(…)

hypotheek t.b.v. (…)

-

300.000

dividend van (…)

-

(…)

dividend van (…)

-

(…)

-

1.500.000,00

per saldo te voldoen

(…)

2.8.

Per brief van 30 november 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens was hem een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op te leggen ten bedrage van € 15.000 (2% van € 750.000), zich op het standpunt stellend dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BRV niet van toepassing is. Per brief van 20 december 2021 heeft belanghebbende de inspecteur meegedeeld het met dit voornemen niet eens te zijn.

2.9.

Met dagtekening 14 januari 2022 heeft de inspecteur belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag en beschikking belastingrente opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en rentebeschikking gehandhaafd.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2.

Hetgeen partijen in het kader van het geschil hebben aangevoerd, komt, voor zover relevant voor de te nemen beslissing, bij de beoordeling aan de orde.

4 Beoordeling

5 Kosten

6 Beslissing