Gerechtshof Den Haag, 23-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2595, BK-24/897
Gerechtshof Den Haag, 23-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2595, BK-24/897
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2025
- Datum publicatie
- 5 januari 2026
- Zaaknummer
- BK-24/897
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 6:12 Awb, Art. 8:51a Awb, Art. 8:88 Awb, Art. 13 EVRM, Art. 1 EP EVRM
Inhoudsindicatie
Art. 17 Wet WOZ; art. 1 EP bij het EVRM; art. 13 EVRM. WOZ-beschikking en aanslag onroerende-zaakbelastingen niet in strijd is met art. 1 EP bij het EVRM en art. 13 EVRM in verbinding met art. 1 EP. WOZ-beschikking rechtsgeldig opgelegd.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/897
in het geding tussen:
(gemachtigde: R.W. Jagtenberg),
en
(vertegenwoordiger: […] ).
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 30 augustus 2024, nummer ROT 23/4986.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2023 bij beschikking vastgesteld op € 534.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Rotterdam (de gemeente) voor deze woning (de aanslag).
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar tegen de beschikking en aanslag bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 16 september 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2. Belanghebbende is op 1 januari 2023 eigenaar van de woning. Het betreft een pand uit 1907 met woonoppervlakte van 159 m2, gelegen op een perceel van 117 m2 in de wijk [Wijk] in de buurt [Buurt] .
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of:
-
het geven van de beschikking en het opleggen van de aanslag in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);
-
het geven van de beschikking en het opleggen van de aanslag in strijd is met artikel 13 EVRM in verbinding met artikel 1 EP;
-
de beschikking zoals aangeduid in 4.3.2 (de WOZ-beschikking 2020) niet rechtsgeldig is opgelegd.
Belanghebbende concludeert – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in vergoeding van schade, al dan niet op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar met toepassing van artikel 8:51a Awb, en tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.