Home

Hoge Raad, 15-01-1964, AX7671, 15 113

Hoge Raad, 15-01-1964, AX7671, 15 113

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 januari 1964
Datum publicatie
5 april 2013
ECLI
ECLI:NL:HR:1964:AX7671
Zaaknummer
15 113
Relevante informatie
3.8 IB

Uitspraak

De HR enz.,

Gezien het beroepschrift in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 13 juni 1963, betreffende den hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting. voor het jaar 1960;

Gezien...

Overwegende dat aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting. voor het jaar 1960 werd opgelegd, welke door den Inspecteur na reclame nader werd geregeld naar een zuiver inkomen van f 28.221, waarvan f 18.949 belast naar het tarief van art. 48 IB '41;

dat belanghebbende van 's Inspecteurs beschikking in beroep is gekomen onder aanvoering primair, dat de aanslag had behoren te zijn geregeld naar een zuiver inkomen van f 9.272, en secundair, dat die regeling had behoren te zijn geschied naar een zuiver inkomen van f 21.811, waarvan f 12.539 belast naar het hierboven vermelde bijzondere tarief;

Overwegende dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld:

′dat belanghebbende tot 1 januari 1947 te Z voor eigen rekening als manufacturier een zaak dreef in een hem in eigendom toebehorend pand, bestaande uit een winkel, kleermakerij en een bovenwoning in gebruik bij hemzelf;

dat het gehele pand deel uitmaakte van zijn bedrijfsvermogen, met een fiscale boekwaarde per 31 december 1946 van f 8.600;

dat belanghebbende op 1 januari 1947 zijn zaak heeft ingebracht in een tezamen met zijn zoon opgerichte vennootschap onder firma, met uitzondering van vorenbedoeld pand, waarvan uitsluitend de bedrijfsruimte - winkel en kleermakerij - aan de vennootschap werd verhuurd voor f 60 per maand; dat hij dat pand per die datum naar zijn prive-vermogen heeft overgebracht zonder dat daarbij winst of verlies tot uitdrukking is gebracht of voor de heffing van inkomstenbelasting. in aanmerking is genomen;

dat belanghebbende de bovenwoning, die niet anders dan door de winkelingang is te bereiken, is blijven bewonen gelijk voorheen;

dat de v.o.f. per 31 december 1960 werd ontbonden, waarna belanghebbende het meergenoemde pand verhuurde aan zijn zoon, die de zaak voortzette en de bovenwoning betrok;

dat de kosten en lasten, betrekking hebbende op het pand, zowel die voor de bedrijfsruimte als die voor de woning, vanaf 1 januari 1947 voor belanghebbendes rekening zijn geweest, en in zijn belastingaangiften als kosten en lasten van onroerend goed in aftrek van de opbrengst daarvan zijn gebracht;

Overwegende dat het Hof het standpunt van belanghebbende als volgt heeft weergegeven:

′dat hij primair stelt, dat de Inspecteur ten onrechte het pand niet als privé-bezit heeft aangemerkt en derhalve het verschil tussen de getaxeerde waarde per 1 januari 1961 en de boekwaarde heeft gerekend tot de bij de ontbinding van de v.o.f. per 31 december 1960 gemaakte overdrachtswinst, welke met inachtneming van het vrijgestelde bedrag van f 7.500 overeenkomstig artikel 20, lid 3, IB '41 alsdan uitmaakt f 18.949; dat hij toch genoemd pand per ultimo 1946 in de privé-sfeer heeft gebracht en het sinds het jaar 1947 bij het doen van belastingaangiften heeft aangemerkt als privé-bezit, waartegen de Inspecteur nimmer enige bedenking heeft aangevoerd; dat deze kennelijk in het jaar 1962 bij de beoordeling van de aangifte voor de inkomstenbelasting. voor het jaar 1960 merken als bedrijfspand, medebrengende dat in het jaar 1960 de hiervoor genoemde overdrachtswinst zou zijn genoten;

dat hij secundair stelt dat bij niet aanvaarding van het primair aangevoerde, hij per 31 december 1946 toch in ieder geval het door hem bewoonde woongedeelte van het pand in de privé-sfeer heeft gebracht, zodat slechts de waardevermeerdering van het pand voor zover niet dienende als woning, ten bedrage van f 20.039 verminderd met het reeds hiervoor genoemde bedrag van f 7.500 tot f 12.539, tot de overdrachtswinst is te rekenen en het zuiver inkomen mitsdien f 6.410 lager behoort te worden vastgesteld;′;

Overwegende dat het Hof enz.;

Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:

′dat ter beantwoording van de vraag of en hoeveel overdrachtswinst door belanghebbende is genoten bij de ontbinding van de v.o.f. per ultimo 1960, is te beslissen of het pand bij het einde van het jaar 1960 geheel of ten dele tot diens bedrijfsvermogen behoorde, dan wel geheel of ten dele tot het privé-vermogen was te rekenen;

dat daartoe acht is te slaan op de navolgende feiten: 1 o het gebruik van de bedrijfsruimte van het pand - te weten winkel en kleermakerij - bleef gericht op de exploitatie van een zaak, die tot het einde van het jaar 1946 door belanghebbende alleen werd gedreven en sinds 1 januari 1947 door een v.o.f. waarin belanghebbende als vennoot optrad; 2 o het woongedeelte van het pand, dat bij gebreke van een vrije toegang uitsluitend is te bereiken door de winkel, leent zich niet tot verhuren aan buiten de vennootschap staande personen, maar is bij uitstek geschikt voor bewoning door een der vennoten - zoals dan ook geschiedde -, waarmede onmiskenbaar het belang van de zaak wordt gediend, en waardoor ook het woongedeelte een functie vervulde in het bedrijf;

dat uit deze feiten volgt dat het pand - in weerwil van de omstandigheid dat het door belanghebbende sinds 1 januari 1947 is aangemerkt als privé-bezit geacht moet worden tot belanghebbendes verplicht bedrijfsvermogen te behoren, ten aanzien waarvan een beslissing tot het overbrengen naar het privé-vermogen niet op een door belanghebbende te bepalen tijdstip voor het einde van belanghebbendes bedrijfsuitoefening kon worden aangenomen; dat deze overwegingen ertoe leiden dat als gevolg van het ontbinden van de v.o.f., waarin belanghebbende medevennoot was, per 31 december 1960 het pand geacht moet worden te zijn overgegaan van bedrijfs- naar privé-vermogen en het verschil tussen de getaxeerde waarde van het pand op genoemd tijdstip en de boekwaarde, met inachtneming van de vrijstelling van f 7.500 zoals hiervoor genoemd, derhalve uitmakende f 18.949, als genoten overdrachtswinst tot belanghebbendes inkomen is te rekenen;

dat aan dit oordeel niet afdoet belanghebbendes bewering dat de Inspecteur het pand vanaf 1947 als prive-bezit heeft erkend;

dat toch uit het volgen van belanghebbendes aangiften voor de belastingen naar inkomen en vermogen door de belastingdienst tot het vaststellen van aanslagen zonder dat tussen belastingplichtige en de Inspecteur terzake voorafgaand overleg heeft plaatsgehad of wel een afspraak is gemaakt, niet mag worden afgeleid dat de Inspecteur een beslissing heeft genomen met betrekking tot het standpunt door de belastingplichtige ten aanzien van een of meer onderdelen van de aangifte ingenomen;

dat mitsdien aan de Inspecteur niet mag worden verweten dat hij op een eerder genomen beslissing is teruggekomen;

dat dit mogelijk anders zou zijn wanneer de belastingheffing in vorige jaren zou hebben geleid tot gevolgen, welke onverenigbaar zijn met het thans door de Inspecteur ingenomen standpunt, doch daarvan niets is gesteld of gebleken;

Overwegende dat het Hof dienvolgens de beschikking van den Inspecteur heeft bevestigd;

Overwegende dat belanghebbende in cassatie een grief tegen de uitspraak heeft te berde gebracht, die op het volgende neerkomt:

dat het Hof ten onrechte heeft beslist, dat het onderwerpelijke pand tot ultimo december 1960 tot belanghebbendes bedrijfsvermogen heeft behoord en eerst toen naar zijn privé-vermogen is overgegaan;

dat het Hof dus doende rechtsonzekerheid heeft geschapen;

dat belanghebbende door per ultimo 1946 het pand naar zijn privé-vermogen over te brengen een redelijke, volgens de toen geldende rechtsregels verantwoorde, keuze heeft gedaan daan en hierin door de latere ontwikkeling van wetgeving en rechtspraak geen verandering kan worden gebracht;

dat de omstandigheid, dat belanghebbende aan het einde van 1946 geen overleg met den Inspecteur heeft gepleegd hieraan geen afbreuk doet;

dat belanghebbende mocht aannemen, dat, nu de Inspecteur de aangiften voor de jaren 1946 en 1947 volgde zonder daarbij enige aanmerking te maken op de onttrekking van het pand aan het bedrijfsvermogen, de Inspecteur belanghebbendes keuze ten aanzien van het pand had aanvaard;

dat bedoelde onttrekking destijds geen fiscale gevolgen kon hebben, daar de werkelijke waarde van het pand de boekwaarde niet overtrof;

dat het Hof, terecht overwegende dat belanghebbende het pand sedert 1 Januari 1947 als privé-bezit heeft aangemerkt, belanghebbendes recht op vrije keuze, zoals dat in dien tijd gold, heeft miskend en ten onrechte de gedane keuze heeft beoordeeld aan de hand van maatstaven, die geldend zijn geworden door de ontwikkeling van wetgeving en rechtspraak na 1947;

Overwegende dienaangaande:

dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld, dat belanghebbende voor 1 januari 1947 het onderhavige pand in zijn geheel heeft aangemerkt als te behoren tot zijn bedrijfsvermogen;

dat het een belastingplichtige niet vrijstaat een tot zijn bedrijfsvermogen behorend vermogensbestanddeel willekeurig over te brengen naar zijn privé-vermogen, doch hem dit overbrengen slechts geoorloofd is indien bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen;

dat als een bijzondere omstandigheid, welke belanghebbende zou hebben veroorloofd per ultimo December 1946 het onderwerpelijke pand van zijn bedrijfsvermogen naar zijn privé-vermogen over te brengen, niet kan gelden dat hij met ingang van 1 Januari 1947 zijn bedrijf heeft ingebracht in een tezamen met zijn zoon opgerichte vennootschap onder firma doch daarbij het bedoelde pand buiten den inbreng heeft gehouden, nu blijkens de uitspraak feitelijk vaststaat, dat de bedrijfsruimte van het pand, welke aan de vennootschap werd verhuurd, dienstbaar bleef aan de exploitatie van de zaak, die tot het einde van 1946 door belanghebbende alleen werd gedreven en nadien door de vennootschap, waarvan hij een der firmanten was, en belanghebbende de bovenwoning - die niet anders dan door den winkel is te bereiken - is blijven bewonen gelijk voorheen;

dat het Hof dan ook terecht heeft geoordeeld, dat per ultimo December 1960 - het tijdstip waarop naar 's Hofs feitelijke vaststelling de vermelde vennootschap werd ontbonden - het meervermelde pand voor het geheel tot belanghebbendes bedrijfsvermogen behoorde;

dat aan dit oordeel niet in den weg heeft kunnen staan, dat de Inspecteur belanghebbendes aangiften voor de inkomsten- en de vermogensbelasting, waaruit van zijn gewijzigd standpunt ten aanzien van de fiscale behandeling van het pand heeft kunnen blijken, zonder meer heeft gevolgd;

dat toch, nu naar 's Hofs feitelijke vaststelling de naar aanleiding van de bedoelde aangiften opgelegde aanslagen zijn opgelegd zonder dat terzake voorafgaand overleg tussen den Inspecteur en den belanghebbende heeft plaatsgehad of wel een afspraak is gemaakt en niet gesteld of gebleken is, dat de belastingheffing in vorige - aan 1960 voorafgegane - jaren zou hebben geleid tot gevolgen, welke onverenigbaar zijn met het thans door den Inspecteur ingenomen standpunt, uit het feit, dat van de bovenbedoelde aangiften niet is afgeweken, niet volgt, dat de Inspecteur de wijziging in de fiscale behandeling van het pand zou hebben aanvaard en daarmede op dit punt een beslissing zou hebben gegeven, waaraan hij gebonden zou moeten worden gehouden;

dat de grief derhalve geen doel treft;

Verwerpt het beroep.