Home

Hoge Raad, 29-06-1977, AX4015, 18 270

Hoge Raad, 29-06-1977, AX4015, 18 270

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29 juni 1977
Datum publicatie
5 april 2013
ECLI
ECLI:NL:HR:1977:AX4015
Zaaknummer
18 270
Relevante informatie
4.12 IB, 4.16 IB, 4.43 IB, 4.46 IB, 5.19 IB

Uitspraak

De Hoge Raad enz.;

Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 augustus 1976 betreffende de ten name van wijlen X, laatstelijk gewoond hebbende te Z, en overleden op 27 oktober 1972, gestelde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1972;

Gezien de stukken;

Overwegende dat ten name van wijlen X voor het jaar 1972 (periode van 1 januari tot 27 oktober) een aanslag is gesteld naar een belastbaar inkomen van f 28. 397 en dat die aanslag, na daartegen door de Stichting A te W, enige en algehele erfgename van X, verder te noemen belanghebbende, gemaakt bezwaar door de Inspecteur is gehandhaafd, waarna belanghebbende van de uitspraak van de Inspecteur in beroep is gekomen bij het Hof;

Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt, voor zover in cassatie van belang:

'Op 27 oktober 1972 overleed X, geboren op 16 juni 1918 en laatstelijk woonachtig te Z. Erflaatster, die nimmer gehuwd is geweest en geen legitimarissen achterliet heeft bij testament benoemd tot haar enige en algehele erfgenaam de Stichting A te W - belanghebbende - welke stichting een algemeen maatschappelijk belang beoogt zoals bedoeld in art. 24, 1, lid 4, Succ. '56, en ook overigens voldoet aan de vereisten, gesteld in art. 24, I, voorlaatste alinea, van deze wet.

Het nagelaten vermogen van belastingplichtige bestond uit spaartegoeden/vorderingen ten bedrage van f 30.422 en 20 aandelen a nominaal f 250 in B BV te W, welk aandelenbezit ten sterfdage voor belastingplichtige vormde een aanmerkelijk belang in de zin van art. 39, lid, IB '64 (de Wet). De verkrijgingsprijs van deze aandelen was in totaal f 18.750 en de waarde welke, naar de toestand ten sterfdage, in het economische verkeer aan de aandelen kon worden toegekend, f 39.400. De vraag waarvan de beantwoording partijen verdeeld houdt, is of de onderhavige erfstelling, als gevolg waarvan de aandelen uit het vermogen van belastingplichtige bij haar overlijden in dat van belanghebbende zijn overgegaan, moet worden aangemerkt als een vervreemding van aanmerkelijk-belangaandelen in de zin van art. 39, lid 1 van de Wet en derhalve voor belastingplichtige een winst uit aanmerkelijk belang, groot f 20.650 heeft opgeleverd.';

Overwegende dat het Hof het standpunt van belanghebbende als volgt heeft weergegeven:

'De Inspecteur baseert zijn oordeel dat de overgang van de aandelen krachtens erfrecht een vervreemding in de zin van art. 39 van de Wet zou zijn, ten onrechte op het arrest HR 10 februari 1960, BNB 1960/123. Volgens dat arrest wordt elke rechtshandeling waardoor de eigenaar van aanmerkelijk-belangaandelen die aandelen uit zijn vermogen in dat van een ander doet overgaan, als vervreemding aangemerkt. In casu gaan echter de aandelen uit het vermogen van belastingplichtige over in het vermogen van belanghebbende, niet ten gevolge van een door belastingplichtige verrichte rechtshandeling - de testamentaire aanwijzing van belanghebbende tot haar enige en algehele erfgenaam - maar ten gevolge van het blote rechtsfeit van het overlijden van belastingplichtige, zijnde geen rechtshandeling. De testamentaire aanwijzing had slechts tot gevolg dat op het moment van overlijden van belastingplichtige belanghebbende haar rechtsopvolger onder algemene titel werd, dat wil zeggen zij trad daardoor in alle rechten en verplichtingen van vermogensrechtelijke aard van erflaatster. Vanaf het moment van overlijden hield belastingplichtige op rechtssubject te zijn, hield derhalve het vermogen van belastingplichtige op haar vermogen te zijn. De testamentaire aanwijzing van belanghebbende - tezamen met het gehele samenstel van erfrechtelijke bepalingen - regelde dan ook slechts wat er met het vermogen van belastingplichtige na haar overlijden moest gebeuren. Vergelijk in dit verband de annotaties van Van Dijck en Hofstra onder HR 19 maart 1969 in BNB 1969/113 resp. in Ars Aequi 1970, blz. 40, en verder het praeadvies van prof. mr. J. van Soest ' 'Vervreemding als belastbaar feit; in het bijzonder in de inkomstenbelasting' ', blz. 36.

In de uitspraak van het Hof te 's-Hertogenbosch van 14 november 1969, BNB 1970/200, wordt erop gewezen dat het belasten van winst uit aanmerkelijk belang als grondslag heeft dat de aanmerkelijk-belanghouder bij het vervreemden van zijn aandelenbezit over de op dat tijdstip in de vennootschap aanwezige reserves beschikt. Niet gezegd kan worden dat in casu belastingplichtige door de testamentaire aanwijzing van het belanghebbende heeft 'beschikt' over de op dat tijdstip in de BV aanwezige reserves, nu belanghebbende als universeel erfgenaam is aangewezen.

In de wettekst zelf wordt onderscheid gemaakt tussen 'vervreemding' en 'overgang' krachtens erfrecht etc. Art. 39, lid 9, van de Wet houdt een doorschuivingsregeling in, welke textueel en uitgaande van een zekere systematiek binnen dit artikel zelf slechts begrijpelijk is indien de overgang krachtens erfrecht niet als vervreemding wordt aangemerkt.

Voorts zou art. 39, lid 10, van de Wet overbodig zijn indien een overgang krachtens erfrecht wel zou moeten worden aangemerkt als een vervreemding in de zin van het eerste lid van dat artikel. Niets in de tekst van art. 39 van de Wet wijst erop dat voor de juridische en fiscale kwalificatie van een rechtshandeling, of ander rechtsfeit onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen erfgenamen-natuurlijke personen en erfgenamen-rechtspersonen.

Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een overgang krachtens erfrecht niet kan worden aangemerkt als een vervreemding. In de MvA aan de Eerste Kamer (zitting 1964-1965, nummer 13a, blz. 10, rk.) zegt de Regering uitdrukkelijk dat bij overlijden van een vervreemding geen sprake is, een uitspraak welke zij heeft gedaan ter adstructie van het onderscheid in fiscalibus tussen schenking en overgang krachtens erfrecht van aanmerkelijk-belangaandelen. Hieruit volgt tevens dat het begrip 'overgang krachtens erfrecht' civielrechtelijk geïnterpreteerd dient te worden. Zie in dit verband ook de hiervoren vermelde annotaties als mede de overwegingen van het Gerechtshof te Amsterdam in de zaak welke heeft geleid tot het arrest HR 19 maart 1969, BNB 1969/113. Hieraan zij nog toegevoegd dat ook in het Besluit IB '41 onder 'vervreemding' nooit de erfrechtelijke verkrijging is begrepen geacht. Art. 39 van de Wet heeft deze interpretatie naar tekst en wetshistorie gecontinueerd.

Het beroep van de Inspecteur op BNB 1969/113 is niet overtuigend. Dit arrest is terecht op goede gronden door zeer gezaghebbende annotatoren voor wat betreft de algemene geldigheid van zijn motivering bestreden. De uitspraak kan niet los worden gezien van de bijzondere omstandigheden van het geval: materiele verkoop, dus een vervreemding. Wat ten slotte de redelijkheid van de voorgestane interpretatie betreft, zij opgemerkt dat art. 39 van de Wet een voorbeeld is van wetgevend werk met een strikt karakter, waarbij vermeden is vage termen te gebruiken. In dergelijke gevallen bestaat geen vrijheid om begrippen met een duidelijke betekenis door middel van interpretatie een ruimere of andere inhoud te geven, zijnde dit toch veeleer - ook in onze tijd - de taak van de wetgever. Ook de feitelijke omstandigheden geven geen grond voor de veronderstelling dat handelingen zijn verricht met het primaire oogmerk doel en strekking van de Wet te verijdelen. Belastingplichtige had slechts enkele, reeds oudere naaste verwanten en had als enig oogmerk aan haar gehele vermogen na haar dood een zinvolle bestemming te geven;';

Overwegende dat het Hof omtrent het standpunt van de Inspecteur heeft vermeld:

'Blijkens zijn arrest van 10 februari 1960, BNB 1960/123, verstaat de Hoge Raad onder vervreemding: elke rechtshandeling waardoor de aandeelhouder zijn aandelen uit zijn vermogen in dat van een ander doet overgaan. De onderhavige testamentaire erfstelling ten gunste van een rechtspersoon nu is een dergelijke door belastingplichtige verrichte rechtshandeling, welke op het moment van haar overlijden perfect is geworden. Op dat moment heeft er derhalve een vervreemding in de zin van art. 39 van de Wet plaatsgevonden. Ter adstructie van deze zienswijze diene dat bij zijn arrest van 19 maart 1969, BNB 1969/113, handelend over een legaat van aanmerkelijk-belangaandelen ten behoeve van een rechtspersoon tegen inbreng, de Hoge Raad heeft beslist dat de leden 9 en 10 van art. 39 van de Wet slechts betrekking hebben op gevallen waarin aanmerkelijk-belangaandelen worden verkregen door natuurlijke personen. Aangezien hier sprake is van een verkrijging door een rechtspersoon, is de bijzondere regeling van art. 39, lid 9, niet van toepassing. Gegeven het feit dat volgens de algemeen aanvaarde opvatting een legaat een erfrechtelijke verkrijging is, zijn er geen steekhoudende argumenten aan te voeren om de testamentaire erfstelling anders te behandelen dan een legaat (al dan niet tegen inbreng). Aangezien een overdrachtsprijs hier ontbreekt, is deze ingevolge art. 39, lid 5, van de Wet gesteld op de aandelenkoers voor het recht van successie. Dat deze fictieve overdrachtsprijs het begrip vervreemding niet aantast, moge blijken uit de fiscale regeling voor de schenking van aanmerkelijk-belangaandelen, welke steeds als een vervreemding is behandeld.

Een groot deel van de door belanghebbende aangevoerde argumenten is reeds ter sprake gekomen bij de behandeling van de zaak waarover het arrest BNB 1969/113 gaat. Blijkens de overwegingen in dat arrest kon de Hoge Raad zeer wel de mening van de Staatssecretaris onderschrijven:

a. de in art. 39, leden 9 en 10, van de Wet neergelegde doorschuifregeling ziet duidelijk op een overgang van aandelen van en naar natuurlijke personen; b. uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 39 van de Wet mag worden afgeleid dat de wetgever, met name ten aanzien van schenking en vererving van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, een sluitende regeling heeft willen treffen;

c. het is niet twijfelachtig dat de wetgever een legaat aan een rechtspersoon als een vervreemding zou hebben behandeld;

d. de afrekening dient te geschieden bij de erflater.

Kennelijk heeft de Hoge Raad het als een behoefte gevoeld in deze materie duidelijkheid te scheppen ondanks het - althans naar de mening van belanghebbende - strikte karakter van art. 39 van de Wet.

De stelling van belanghebbende als zou de testamentaire erfstelling geen beschikking inhouden over de in de Besloten Vennootschap aanwezige reserves, is niet houdbaar. Zonder testament immers zouden de stille reserves niet aan belanghebbende ten goede zijn gekomen;';

Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:

'dat, blijkens de hiervoren vermelde feiten, belastingplichtige, overleden op 27 oktober 1972, haar vermogen naliet aan de Stichting A - belanghebbende - , welke rechtspersoon zij bij testament tot haar enige en algehele erfgenaam had benoemd; dat tot de nalatenschap onder meer behoorden 20 aandelen met een nominale waarde van elk f 250 in B BV, van welk aandelenbezit, dat voor belastingplichtige een aanmerkelijk belang in de zin van art. 39, lid 3, van de Wet vormde, de verkrijgingsprijs in totaal f 18.750 bedroeg en de economische verkeerswaarde ten sterfdage f 39. 400;

dat door het overlijden van belastingplichtige in samenhang met de testamentaire erfstelling de onderhavige aandelen met het overige vermogen van belastingplichtige in het vermogen van belanghebbende zijn overgegaan;

dat, naar 's Hofs oordeel, in casu geen sprake is van een vervreemding, dat is een rechtshandeling tot overdracht van de aandelen, hetgeen blijkens art. 39 van de Wet voor het ontstaan van winst uit aanmerkelijk belang vereist is; dat het bij een ruime, feitelijk georienteerde uitlegging van het begrip overdracht mogelijk is het legateren van aandelen, in het bijzonder indien aan het legaat de verplichting tot inbreng van de waarde van de aandelen is verbonden, als een dergelijke door de erflater verrichte rechtshandeling tot overdracht aan te merken en de inbreng als een tegenprestatie of overdrachtsprijs voor het jegens de erfgenamen geldend te maken zakelijke of persoonlijke recht tot afgifte van de aandelen;

dat echter deze constructie, waarbij het legaat materieel wordt opgevat als een overdracht onder de opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de erflater, niet denkbaar is bij een erfstelling als de onderhavige;

dat een legaat als hiervoor bedoeld rechten op specifieke vermogensobjecten betreft, waarbij als rechtssubjecten zijn betrokken de persoon van de erflater en vervolgens de zijn persoon voortzettende erfgenamen enerzijds en de legataris anderzijds;

dat overdrachten of vervreemdingen in het algemeen zich kenmerken door een verscheidenheid van ten minste twee subjecten, in welke verscheidenheid zich de tegenstelling tussen vreemd en eigen openbaart, en dat meer in het bijzonder in het geval van een legaat, althans in de hiervoor uiteengezette zienswijze, het vooroverlijden van de erflater als een zakelijke voorwaarde geldt voor het ontstaan van een zuivere verbintenis tot overdracht jegens een derde, de legataris;

dat daarentegen de hoogst persoonlijke rechtsband tussen erflater en erfgenamen, waarin geen plaats is voor de tegenstelling vreemd en eigen, niet een verscheidenheid doch juist een identiteit van subject uitdrukt;

dat erfopvolging, welke uitsluitend door de dood van de erflater plaatsvindt, deze betekenis heeft, dat de persoon van de erflater als drager van een subjectieve vermogenseenheid van rechtswege wordt voortgezet door zijn erfgenamen en dat daarmede zijn vermogen naar de toestand ten sterfdage zonder enige levering of overdracht van de afzonderlijke vermogensbestanddelen op hen overgaat, onverschillig of zij bij de wet zijn aangewezen dan wel bij testament zijn benoemd en of zij natuurlijke personen dan wel rechtspersonen zijn; dat het vorenstaande tot de conclusie leidt, dat de testamentaire benoeming van belanghebbende tot erfgenaam geen rechtshandeling is, die een door belastingplichtige verrichte vervreemding oplevert van de aanmerkelijk-belangaandelen welke bij het overlijden van belastingplichtige bestanddelen van haar nalatenschap blijken te zijn;

dat voorts de door de Inspecteur voorgestane wetsinterpretatie, welke het aanmerkelijk-belangregiem uitbreidt, te minder aannemelijk is, nu de aanmerkelijk-belangwinst een vreemd element vormt in een fiscaal inkomensbegrip als dat van de Wet, hetwelk nauw aansluit bij de maatschappelijke inkomensopvattingen, dat blijkens de parlementaire stukken betreffende het ontwerp voor de Wet de aanmerkelijk-belangregeling naar haar opzet een zeer beperkte, grove regeling is, welke haar bestaan dankt aan het streven van de wetgever naar een uiteraard zeer globaal evenwicht tussen de belastingdruk op de ondernemingswinsten van lichamen en op die van natuurlijke personen (MvT, blz. 15 en 16, blz. 32 ad art.4, blz. 43 en 44 ad art.34 - Zitting Tweede Kamer 1958-1959-5380, stuk nr. 2; Nota inzake de algemene belastingherziening, blz. 3 tot en met 5 - Zitting Tweede Kamer 1959-1960-5380,6000, stuk nr. 9; MvA, blz. 54 tot en met 62 ad art. 34 - Zitting Tweede Kamer 1962-1963-5380, stuk nr. 19);';

Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van f 7747;

Overwegende dat de Staatssecretaris het volgende middel van cassatie, met de daarachter vermelde toelichting, voorstelt:

'Schending van art. 39 IB '64 doordat het Gerechtshof heeft beslist dat, hoewel door het overlijden van belastingplichtige in samenhang met de testamentaire erfstelling de nominaal f 5.000 aandelen in B BV te W tezamen met het overige vermogen van belastingplichtige in het vermogen van belanghebbende zijn overgegaan, te dezen toch geen sprake is van een vervreemding in de zin van art. 38 IB '64 van de onderwerpelijke aandelen, zulks ten onrechte aangezien onder vervreemding in de zin van vorenvermelde wetsbepaling moet worden verstaan elke rechtshandeling waardoor de aandeelhouder zijn aandelen uit zijn vermogen in dat van een ander doet overgaan en de onderwerpelijke testamentaire erfstelling moet worden beschouwd als een door belastingplichtige verrichte rechtshandeling, welke op het moment van haar overlijden perfect is geworden.

Toelichting:

Belastingplichtige overleed op 27 oktober 1972. Krachtens testamentaire beschikking is belanghebbende tot haar enige en algehele erfgename benoemd. Tot belastingplichtiges nalatenschap behoorden nominaal f 5.000 aandelen B BV te W, welke aandelen voor belastingplichtige een aanmerkelijk belang in de zin van art. 39 IB '64 vormden.

De verkrijgingsprijs van deze aandelen bedroeg, naar buiten geschil is, f 18.750 de waarde in het economische verkeer f 39.400.

In geschil is of de onderhavige testamentaire erfstelling, als gevolg waarvan de aandelen uit het vermogen van belastingplichtige bij haar overlijden in dat van belanghebbende zijn overgegaan, moet worden aangemerkt als een vervreemding in de zin van art. 39, eerste lid, van de Wet en derhalve voor belastingplichtige een winst uit aanmerkelijk belang, groot f 20.650 heeft opgeleverd.

Het Hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Zich blijkbaar baserend op het arrest HR 19 maart 1969, BNB 1969/113, overweegt het Hof dat, indien sprake is van een legaat (in het bijzonder tegen inbreng) dit legaat materieel kan worden opgevat als een overdracht onder opschortende voorwaarde van vooroverlijden van de erflater.

Naar de mening van het Hof is deze constructie echter niet denkbaar bij een erfstelling als de onderhavige. Het Hof grondt deze mening - kort gezegd - hierop dat een legaat zich kenmerkt door verscheidenheid van subjecten terwijl bij een testamentaire erfstelling identiteit van subject aanwezig is. Van dit verschil uitgaande acht het Hof, naar uit zijn overwegingen kan worden afgeleid, voor de toepassing van meergenoemde wetsbepaling van belang dat ingeval van een legaat een zuivere verbintenis tot overdracht jegens een derde ontstaat (waarbij het overlijden van erflater als zakelijke voorwaarde geldt), terwijl bij een erfstelling het vermogen van erflater naar de toestand ten sterfdage zonder enige levering of overdracht van de afzonderlijke vermogensbestanddelen op de erfgenamen overgaat.

De Staatssecretaris kan zich met deze opvatting van het Hof niet verenigen. Het door het Hof geconstateerde civielrechtelijke verschil tussen legaat en erfstelling is niet relevant voor de toepassing van art. 39 van de Wet. In beide gevallen immers gaan de tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen in het vermogen van een derde over en evenals bij een legaat wordt deze overgang ook bij een testamentaire erfstelling bewerkstelligd door een rechtshandeling (de testamentaire beschikking) die bij en door het overlijden perfect wordt en rechtsgevolgen heeft. Deze rechtshandeling is in beide gevallen als een eenzijdige aan te merken aangezien voor het aanvaarden van een legaat of een testamentaire erfstelling enige handeling of wilsverklaring van de legataris of erfgenaam niet vereist is. Om deze redenen acht de Staatssecretaris het onjuist en tevens overbodig om voor de belastingheffing op grond van art. 39 van de Wet in een legaat zo uitdrukkelijk een 'constructie' te zien waarbij het legaat materieel wordt opgevat als een overdracht (van erflater aan legataris). Deze opvatting toch miskent dat een legaat naar de algemeen aanvaarde opvatting ook een erfrechtelijke verkrijging is, terwijl daarbij voorts uit het oog wordt verloren dat niet in de overdracht of levering van de gelegateerde vermogensbestanddelen het tot belastingheffing aanleiding gevende gebeuren van de vervreemding ligt, doch, blijkens bovenvermeld arrest van de Hoge Raad, in de rechtshandeling van de testamentaire beschikking die op het tijdstip van overlijden perfect werd en ten gevolge waarvan de aandelen uit het vermogen van belastingplichtige in dat van belanghebbende zijn overgegaan.

In dit verband moge nog verwezen worden naar het arrest HR 10 februari 1960, BNB 1960/123. Met de Inspecteur is de Staatssecretaris derhalve van mening dat er geen steekhoudende argumenten zijn aan te voeren om de testamentaire erfstelling anders te behandelen dan een legaat (al dan niet tegen inbreng). In verband met het bepaalde in art. 39, vijfde lid, van de Wet, kan het ontbreken van een contra-prestatie niet van doorslaggevende betekenis voor de onderhavige beslissing worden geacht. Verwezen moge nog worden naar de annotatie van prof. J.E.A.F. van Dijck bij het arrest HR 19 februari 1969, BNB 1969/113 (blz. 338) alsmede naar de aantekening van mr. A.J. van Soest op hetzelfde arrest in FED 24 april 1969, Inkomstenbelasting 1964: artikel 39: 4.

Wat betreft de slotoverwegingen van de uitspraak wordt nog het volgende opgemerkt. Met inachtneming van de uitleg die de Hoge Raad in zijn hiervoor vermelde arresten heeft gegeven aan die onderdelen van de aanmerkelijk-belangregeling welke in casu van belang zijn, heeft de Inspecteur slechts de wet toegepast. Daarbij te spreken van een wetsinterpretatie die het aanmerkelijk-belangregiem uitbreidt, gaat de Staatssecretaris te ver.

Ook al kwalificeert men met het Hof de aanmerkelijk-belangwinst als een vreemd element in een fiscaal inkomensbegrip als dat van de Wet, hetwelk nauw bij de maatschappelijke opvattingen aansluit, dan nog is er geen reden om een schenking of een legaat aan een rechtspersoon van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen in dat opzicht anders te benaderen dan de onderhavige testamentaire erfstelling. Aldus gezien staat ook 's Hofs opmerking omtrent opzet en ontstaansreden van de aanmerkelijk-belangregeling aan belastingheffing in het overhavige geval niet in de weg.';

Overwegende dienaangaande:

dat onder vervreemding in de zin van artikel 39 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moet worden verstaan elke rechtshandeling waardoor de aandeelhouder, of houder van winstbewijzen, tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, of winstbewijzen, uit zijn vermogen in dat van een ander doet overgaan;

dat als een zodanige rechtshandeling niet kan worden aangemerkt een erfstelling als de onderhavige, welke, naar uit de bestreden uitspraak blijkt, niet anders inhoudt dan dat de erflaatster bij testament belanghebbende heeft benoemd tot haar enige en algehele erfgename;

dat immers van een rechtshandeling als de genoemde erfstelling, de rechtsgevolgen ook dan volledig intreden indien het nagelaten vermogen geen tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen omvat;

dat het beroep derhalve niet tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het beroep.