Geen verhoogde kindvrijstelling zonder 50% onderhoud

Geen verhoogde kindvrijstelling zonder 50% onderhoud

Gegevens

Nummer
2026/111
Publicatiedatum
30 januari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:20
Rubriek
Uitspraak

Een zoon maakt niet aannemelijk dat zijn moeder ten minste 50% heeft bijgedragen aan zijn levensonderhoud. Het hof wijst daarom de verhoogde kindvrijstelling in de erfbelasting af.


Een man erft in 2021 samen met zijn twee broers ieder een derde van de nalatenschap van hun moeder. De man lijdt aan de ziekte van Lyme, is niet in staat om te werken en woont bij zijn moeder in. In de aangifte erfbelasting doet hij een beroep op de verhoogde kindvrijstelling voor gehandicapte kinderen. Volgens hem droeg zijn moeder grotendeels bij aan zijn levensonderhoud. De inspecteur vraagt om onderbouwing en wijst de verhoogde vrijstelling af. Wel past hij de reguliere kindvrijstelling toe. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. In hoger beroep staat alleen nog ter discussie of is voldaan aan de zogenoemde onderhoudseis van art. 32 lid 1 onderdeel 4 sub b SW.

‘Grotendeels onderhouden’ is 50% of meer Gerechtshof Den Haag stelt voorop dat voor toepassing van de verhoogde kindvrijstelling aan twee voorwaarden moet zijn voldaan. Vaststaat dat de man vanwege ziekte niet in staat is om te werken. In geschil is uitsluitend of zijn moeder grotendeels heeft bijgedragen aan zijn levensonderhoud. Het hof bevestigt dat ‘grotendeels’ betekent: ten minste 50%. Dat begrip laat geen ruimte voor een andere uitleg. De bewijslast rust op de man. Hij stelt dat zijn jaarlijkse kosten € 6.472 bedragen en dat zijn moeder dat bedrag betaalde, maar die stelling onderbouwt hij onvoldoende met objectieve gegevens. Uit de overgelegde bankafschriften volgt dit niet.

Inkomen en uitkering tellen mee Het hof neemt daarbij mee dat de man in 2021 zelf inkomen genoot. Afgezet tegen zijn gestelde kosten kan niet worden vastgesteld dat zijn moeder minimaal de helft van zijn levensonderhoud droeg. Dat hij schulden aflost in het kader van de WSNP en door de kostendelersnorm een lagere bijstandsuitkering ontvangt, maakt dat niet anders. Ook dat leidt niet tot de conclusie dat zijn moeder grotendeels in zijn onderhoud voorzag. De inspecteur heeft de verhoogde kindvrijstelling daarom terecht geweigerd. Het hoger beroep is ongegrond.

Bron: Gerechtshof Den Haag, 15-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:20
Wet: art. 32 SW