Gebruikelijk loon dga volgt meest verdienende werknemer

Gebruikelijk loon dga volgt meest verdienende werknemer

Gegevens

Nummer
2026/226
Publicatiedatum
27 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:27512
Rubriek
Uitspraak

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur het gebruikelijk loon van een dga terecht heeft vastgesteld op het loon van de best verdienende werknemer.


Een bv is opgericht in 1997. De directeur en enig aandeelhouder verricht via deze bv werkzaamheden voor een administratiekantoor waarin de bv 55% van de aandelen houdt en waarvan zij medebestuurder is. De overige aandelen zijn (indirect) in handen van drie werknemers, onder wie een werknemer met 25% van de aandelen. In de loonaangiften over 2021, 2022 en 2023 neemt de bv voor de dga een loon op van respectievelijk € 80.500, € 81.000 en € 81.000. Na een boekenonderzoek verhoogt de inspecteur het gebruikelijk loon naar € 93.838 (2021), € 96.425 (2022) en € 96.246 (2023), gelijk aan het loon van de best verdienende werknemer. Er volgen naheffingsaanslagen loonbelasting met verzuimboetes. In geschil is of het gebruikelijk loon te hoog is vastgesteld.

Hoogste loon als uitgangspunt Rechtbank Den Haag stelt voorop dat op grond van art. 12a Wet LB 1964 het loon van een dga ten minste wordt gesteld op het hoogste loon van werknemers van het lichaam of een verbonden lichaam. De inspecteur mag daarom uitgaan van het loon van de werknemer die bij het administratiekantoor het meest verdient. Het is vervolgens aan de bv om aannemelijk te maken dat dit bedrag hoger is dan (voor 2021 en 2022: 75% van) het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
De bv verwijst naar een eigen salarisonderzoek en stelt dat een algemeen directeur van een administratiekantoor tussen € 5.500 en € 7.000 per maand verdient. Volgens de rechtbank onderbouwt de bv echter onvoldoende wat het jaarloon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking is. Daarbij weegt mee dat de dga ruim 30 jaar ervaring heeft, circa 60 uur per week werkt en samen met de andere aandeelhouder eindverantwoordelijk is, onder meer voor personeelsbeleid, begroting, klantcontact en fiscale aangiften. Ook wijst de rechtbank erop dat voor de gebruikelijkloonregeling het jaarloon inclusief looncomponenten relevant is. De bv slaagt daarom niet in haar bewijslast.

Geen doelmatigheidsmarge en boetes terecht Het beroep op de doelmatigheidsmarge van 25% voor 2021 en 2022 faalt eveneens. Het loon van de best verdienende werknemer kan niet dienen als maatstaf voor de meest vergelijkbare dienstbetrekking, omdat deze werknemer zelf een aanmerkelijk belang heeft. De naheffingsaanslagen loonbelasting over 2021, 2022 en 2023 blijven in stand.
De inspecteur legt per jaar een verzuimboete op van 10% van de nageheven loonheffingen. Volgens de rechtbank is geen sprake van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld. De boetes zijn passend en geboden. De beroepen zijn ongegrond.

Bron: Rb. Den Haag, 24-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27512
Wet: art. 12a Wet LB 1964 en art. 67c AWR