Standpunt BOR, 5%-marge (oud) bij beleggingsvermogen en verval BOR-vrijstelling

Standpunt BOR, 5%-marge (oud) bij beleggingsvermogen en verval BOR-vrijstelling

Gegevens

Nummer
2026/593
Publicatiedatum
12 mei 2026
Auteur
Redactie
Rubriek
Overig

De Kennisgroep successiewet heeft vragen beantwoord over de berekening van de 5%-marge van artikel 35c, eerste lid, letter c, SW 1956 (oud) als de BOR-vrijstelling deels vervalt door niet voldoen aan het voortzettingsvereiste.


X bezit alle aandelen in holding A BV. Holding A BV bezit langer dan vijf jaar alle aandelen in werkmaatschappij B BV en korter dan vijf jaar alle aandelen in werkmaatschappij C BV. Beide werkmaatschappijen drijven elk al tientallen jaren een onderneming en hebben geen beleggingsvermogen. Werkmaatschappij B BV heeft een waarde in het economische verkeer van 100 en werkmaatschappij C BV van 3. Holding A BV bezit naast de aandelen in de werkmaatschappijen ook beleggingsvermogen met een waarde van 2. De aandelen in holding A BV zijn 105 waard (wev). X schenkt in 2024 al zijn aandelen in holding A BV aan Y, die een beroep doet op de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956. Binnen de voortzettingsperiode wordt 70% van de aandelen in werkmaatschappij B BV verkocht tegen een koopsom van 80. Ten tijde van de schenking waren deze verkochte aandelen 70 waard.

Vragen

  1. Wordt bij het berekenen van de 5%-marge van artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Successiewet 1956 (oud) rekening gehouden met ondernemingsvermogen waarmee niet wordt voldaan aan de bezitseis?

  2. Behoort ondernemingsvermogen waarmee niet aan de bezitseis wordt voldaan, tot de objectieve onderneming als bedoeld in artikel 35b SW 1956 juncto artikel 7 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting?
    Geldt hetzelfde voor beleggingsvermogen dat binnen de 5%-marge valt?

  3. Hoe wordt berekend welk deel van de verleende BOR-vrijstelling vervalt bij het niet voldoen aan het voortzettingsvereiste?

Antwoorden

  1. Ja, bij het berekenen van de 5%-marge wordt rekening gehouden met al het ondernemingsvermogen, dus ook met het ondernemingsvermogen dat niet voldoet aan de bezitseis. Dit ondernemingsvermogen vormt geen beleggingsvermogen.

  2. Ja, ook ondernemingsvermogen dat niet voldoet aan de bezitseis, behoort tot de objectieve onderneming van artikel 35b, eerste lid, SW 1956. Om te bepalen of de waarde going concern hoger is dan (afgerond) € 1,3 miljoen (bedrag 2024), waardoor de 83%-vrijstelling (percentage 2024) over het meerdere geldt, wordt al het ondernemingsvermogen meegenomen. Dat geldt eveneens voor het beleggingsvermogen dat tot de 5%-marge behoort en voor de BOR als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt.

  3. Als niet langer wordt voldaan aan het voortzettingsvereiste, vervalt voor zover (naar rato) de BOR-vrijstelling. Hierbij vervalt ook de BOR die is verleend over de 5%-marge naar rato.

Bron: Belastingdienst, kennisgroepstandpunt nr. KG:063:2026:4
Wet: art. 35b en art. 35c SW