Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1592, 23/1340

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1592, 23/1340

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18 maart 2025
Datum publicatie
28 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:1592
Zaaknummer
23/1340
Relevante informatie
Art. 3.110 Wet IB 2001, Art. 3.119a Wet IB 2001, Art. 3.120 Wet IB 2001, Art. 3.101 Wet IB 2001, Art. 1 NSW

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Eigenwoningregeling. Aftrekbare rente.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 23/1340

uitspraakdatum: 18 maart 2025

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 maart 2023, nummer AWB 22/2346, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.687. Daarbij is een verlies uit werk en woning verrekend van € 5.917.

1.2

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 voorts een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 65.907 en vastgesteld op het maximum van € 52.763.

1.3

Op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hiervoor – onder 1.1 – bedoelde aanslag heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 gegrond verklaard, het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning en de verliesverrekeningsbeschikking gehandhaafd en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 4.567.

1.4

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 23 maart 2023 ongegrond verklaard.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2025 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord J. van den Top en [naam1 ] , als de gemachtigden van belanghebbende, alsmede [naam2] en [naam3] namens de Inspecteur.

1.7

Partijen hebben elk een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende en [naam1 ] (hierna: [naam1 ] ) zijn in 1997 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. In het jaar 2000 zijn zij huwelijkse voorwaarden aangegaan en hebben zij de algehele gemeenschap ontbonden en verdeeld. In de huwelijkse voorwaarden is iedere gemeenschap van goederen uitgesloten en zijn geen verrekenbedingen opgenomen.

2.2

In 2008 heeft belanghebbende een landgoed als bedoeld in artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928 in [woonplaats] aangekocht. Op het landgoed zijn twee vrijstaande woningen gelegen: [naam4] ( [adres1] ) en [naam5] ( [adres2] ). De koopprijs van het [naam4] bedraagt € 1.500.000, die van het [naam5] € 440.000.

2.3

[naam1 ] heeft tijdens het hoorgesprek in het kader van de bezwaarprocedure betreffende het jaar 2015 als reden voor de aankoop van het landgoed op naam van belanghebbende gegeven, dat er gerechtelijke procedures speelden in verband met zijn eerdere deelname aan een maatschap. Vanwege het risico dat hij in privé aansprakelijk zou kunnen worden gesteld, hebben belanghebbende en [naam1 ] besloten de woning niet op de naam van [naam1 ] te zetten.

2.4

Voor de aankoop van beide onroerende zaken zijn hypothecaire leningen bij [de bank] afgesloten van in totaal € 3.000.000 (hierna: [de bank] -leningen). Naast belanghebbende heeft ook [naam1 ] getekend voor [de bank] -leningen. Beiden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele hoofdsom.

2.5

Belanghebbende heeft op beide onroerende zaken een hypotheek gevestigd ten behoeve van [de bank] -bank, te weten een hypothecaire zekerheid van € 2.700.000 op het [naam4] en een van € 300.000 op het [naam5] .

2.6

Belanghebbende en [naam1 ] zijn in 2012 gescheiden. Op 20 augustus 2012 is de echtscheidingsakte ingeschreven.

2.7

Op 14 januari 2015 hebben belanghebbende en [naam1 ] een echtscheidingsconvenant getekend, waarin zij onder meer het volgende zijn overeengekomen:

Partijen woonden het laatst samen in een [naam6] -landgoed, aan partijen genoegzaam bekend, hierna te noemen: het landgoed, staande en gelegen te [woonplaats] , waarin de vrouw [Hof: belanghebbende] op dit moment, sedert het vertrek van de man [Hof: [naam1 ] ], alleen woont.

Het landgoed is eigendom van de vrouw.

De kosten van het landgoed en de verplichting tot onderhoud van de man jegens de vrouw zijn zo nauw met elkaar verbonden dat partijen deze onderwerpen gezamenlijk wensen te regelen.

De kosten van het landgoed bestaan uit: rentelasten in verband met geldleningen aangegaan voorde verwerving van het landgoed, alsmede kosten van gas, water, licht, onderhoud, opstalverzekeringen, hieronder mede begrepen een tuinman en huishoudelijke hulp.

Bedoeld landgoed staat al geruime tijd te koop, maar is ten gevolge van het huidige economische klimaat nog niet verkocht.

Partijen verklaren er thans alles aan te doen om het landgoed zo spoedig mogelijk te verkopen.

In verband met het vorenstaande verklaren partijen als volgt:

Gedurende de periode dat het landgoed niet verkocht is komen partijen als volgt overeen:

Door de man zal aan de vrouw worden een voldaan een bedrag circa groot TWAALFDUIZEND EURO (EUR 12.000,00) per maand, zijnde de rentelasten [de bank] en inboedel- en opstalverzekeringspremie.

De betaling als hiervoor genoemd is voor een gedeelte groot 50% alimentatie en voor een gedeelte groot 50% een door de man aan de vrouw te betalen rentevergoeding, zijnde een dringende verplichting van moraal en fatsoen. (…)

De man en de vrouw zijn overeengekomen dat de man een verlies op het landgoed te [woonplaats] voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen onder de voorwaarde dat hij geleverd krijgt de aan de vrouw in eigendom toebehorende aandelen in [naam7] B.V. De vrouw verplicht zich te dezen bij voorbaat om onder onderhavige voorwaarden mee te werken aan de levering van de aandelen. (…)

Het voor zijn rekening nemen en als eigen schuld voldoen wordt door Partijen niet gezien als een alimentatie verplichting, maar wel als een dringende verplichting van moraal en fatsoen, aangezien de keuze voor de levenswijze van de man en de vrouw en hun gezin door partijen gezamenlijk is gemaakt en ook de vrouw alleen een dergelijk landgoed niet had kunnen verwerven, bewonen en onderhouden.

2.8

De alimentatie ter grootte van 50% van de over [de bank] -leningen verschuldigde rente is in overeenstemming met de alimentatieberekeningen die belanghebbende en [naam1 ] hebben laten opstellen.

2.9

In 2016 is op de hypothecaire schuld van in totaal € 2.964.915, een bedrag van € 140.843 aan hypotheekrente betaald. Deze hypotheekrente is als volgt uit te splitsen: op de schuld met rekeningnummer [nummer1] ( [naam4] ), van € 2.700.000, is in 2016 € 133.133 rente betaald en op de schuld met rekeningnummer [nummer2] ( [naam5] ), van € 264.915, is in 2016 € 7.710 rente betaald.

2.10

In 2016 is een totaalbedrag van € 140.843 door [naam1 ] gestort op de en/of rekening op naam van belanghebbende en [naam1 ] . Dit bedrag wordt door belanghebbende aangewend om de hypotheekrente van € 140.843 te betalen.

2.11

Belanghebbende heeft in 2016 tot een bedrag van (negatief) € 4.011 winst uit onderneming genoten, hetgeen leidt tot een belastbare winst van -/- € 4.515. Belanghebbende geeft in haar ingediende aangifte 50% van het hiervoor – onder 2.10 – bedoelde bedrag (€ 70.422) aan als ontvangen alimentatie. Zij heeft overigens geen inkomsten genoten.

2.12

Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2016 een inkomen uit werk en woning aangegeven van -/- € 68.359 en een verzamelinkomen van -/- € 44.812. Deze bedragen zijn als volgt berekend:

Belastbare winst

-/- 4.515

Aandeel aangever in inkomsten eigen woning

-/- 134.266

Ontvangen alimentatie

70.422

Inkomen box 1

-/- 68.359

Inkomen box 3

23.547

Verzamelinkomen

-/- 44.812

2.13

Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2016 is de Inspecteur afgeweken van de aangifte. De in de aangifte geclaimde renteaftrek voor de eigenwoningschuld van € 133.133 voor [naam4] heeft de Inspecteur beperkt tot € 66.567 (de helft). De in de aangifte geclaimde renteaftrek van € 7.710 voor de schuld voor [naam5] heeft de Inspecteur geweigerd. Om deze redenen heeft de Inspecteur het inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 5.917. De aanslag IB/PVV 2016 is als volgt berekend:

Belastbare winst

-/- 4.515

Aandeel aangever in inkomsten eigen woning

-/- 59.990

Ontvangen alimentatie

70.422

Inkomen box 1

5.917

Inkomen box 3

10.687

Verzamelinkomen

16.604

2.14

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de correctie op de aangegeven renteaftrek voor de eigenwoningschuld tot € 66.567 gehandhaafd. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is nader vastgesteld op € 4.567.

2.15

Het Hof heeft op 13 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3502, uitspraak gedaan over de aanslagen IB/PVV en ZVW voor het jaar 2015, onder meer over de vraag of de inspecteur terecht de renteaftrek ter zake van de eigenwoningschuld voor 2015 heeft beperkt. Het Hof heeft in die uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur terecht enkel de rente in aftrek heeft toegestaan die ziet op de eigen woning (dus: voor zover de rente betrekking heeft op [naam4] ) en die belanghebbende heeft voldaan uit de door haar ontvangen alimentatie (dus: voor 50 % van die rente).

2.16

De Hoge Raad heeft het tegen de uitspraak van het Hof gericht cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens het desgevraagd niet overleggen van een machtiging of instemmingsverklaring van belanghebbende (HR 1 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1433).

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de (impliciete) verliesvaststellingsbeschikking en verliesverrekeningsbeschikking voor het jaar 2016 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de Inspecteur de renteaftrek voor de eigenwoningschuld van € 133.133 voor [naam4] terecht heeft beperkt tot € 66.567.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Dat de hypotheekrente voor zover deze is toe te rekenen aan de geldlening met betrekking tot [naam5] (€ 7.710) niet aftrekbaar is als onderdeel van de eigenwoningschuld, is tussen partijen niet meer in geschil.

3.5

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten en griffierecht

6 Beslissing