Geen vrijstelling overdrachtsbelasting bij verdeling woning met scheve economische gerechtigdheid

Geen vrijstelling overdrachtsbelasting bij verdeling woning met scheve economische gerechtigdheid

Gegevens

Nummer
2025/818
Publicatiedatum
30 juli 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:1155
Rubriek
Uitspraak

Een man mag bij de verdeling van woningcertificaten zijn ex-partner uitkopen, maar krijgt geen vrijstelling overdrachtsbelasting, omdat de economische gerechtigdheid niet gelijk verdeeld is.


De zaak draait om een woning die in eigendom is van een stichting, met certificaten verdeeld tussen een man en zijn voormalige partner. Beiden bezitten de helft van de certificaten, maar uit aanvullende afspraken blijkt dat de man economisch voor 75% en de vrouw voor 25% gerechtigd is. Bij het beëindigen van de samenleving in 2020 neemt de man alle certificaten over en betaalt hij de vrouw uit. Hij doet daarbij een beroep op de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij relatiebeëindiging. De inspecteur wijst de vrijstelling af en legt een naheffingsaanslag op voor het jaar 2020.

Vrijstelling alleen bij bandbreedte 40-60%

Het hof herhaalt dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij relatiebeëindiging alleen geldt als de economische gerechtigdheid aan de woning voor beide partners tussen de 40% en 60% ligt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie. In deze zaak heeft de man al voor de verdeling 75% economische gerechtigdheid en zijn ex-partner 25%. Die scheve verdeling sluit toepassing van de vrijstelling uit, ook als sprake is van een samenleving buiten huwelijkse voorwaarden met eigen afspraken over waardeverdeling. Het hof ziet geen reden om door aanvullende afspraken anders te oordelen, en bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het beroep van de man op een besluit van de staatssecretaris over samenlevingscontracten helpt hem ook niet, omdat de casus onder dat besluit niet valt.
De sleuteloverweging van het hof is dat niet alleen de juridische verhoudingen tellen, maar óók de economische gerechtigheden, inclusief vorderingen die afhankelijk zijn van de waardeontwikkeling van de woning. Als daardoor een van de voormalige partners buiten de 40-60%-bandbreedte valt, geldt de vrijstelling niet, aldus het hof.

Wet: art. 15 lid 1 onder g WBRV
Bron: Hof Amsterdam, 18-03-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1155