Naheffingsaanslag omzetbelasting mogelijk bij juiste belastingplichtige na teruggave aan verkeerde partij

Naheffingsaanslag omzetbelasting mogelijk bij juiste belastingplichtige na teruggave aan verkeerde partij

Gegevens

Nummer
2025/836
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:1622
Rubriek
Uitspraak

Het hof oordeelt dat het feit dat eerder door een andere belastingplichtige omzetbelasting op aangifte is voldaan en teruggegeven, niet verhindert dat naheffing alsnog kan plaatsvinden bij de juiste belastingplichtige.


Een man verhuurt in privé, samen met zijn echtgenote, vastgoedobjecten en drijft daarnaast een eenmanszaak als advieskantoor. Al jaren zijn er twee btw-nummers: één voor zijn adviespraktijk en één op naam van hem en zijn echtgenote samen (de combinatie) voor de verhuuractiviteiten. Achteraf blijkt dat alleen de man, en niet de combinatie, ondernemer is voor alle activiteiten. De combinatie heeft echter in 2016 omzetbelasting afgedragen voor de verhuur, waarna dat bedrag in 2021 is teruggegeven. De inspecteur heeft vervolgens over dezelfde periodes naheffingsaanslagen opgelegd aan de man als zijnde de juiste belastingplichtige. De man is het daar niet mee eens en stelt dat sprake is van dubbele heffing.

Geen dubbele heffing, naheffing bij juiste ondernemer mag Het hof oordeelt dat het toekennen van twee btw-nummers een fout was, maar dat dit niet betekent dat de inspecteur niet kan naheffen bij de ondernemer die de belasting daadwerkelijk verschuldigd is. Het doel van naheffing is het corrigeren van onjuistheden in de heffing, ongeacht hoe die zijn ontstaan. Omdat de combinatie het onterecht betaalde bedrag volledig teruggekregen heeft, is van dubbele belasting geen sprake. Er is volgens het hof geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook is het hoorrecht niet geschonden, want de man is voldoende uitgenodigd. Tot slot stelt de man dat de rechtbank een eerder  herzieningsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. Het hof volgt de rechtbank: er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven tot een andere beslissing over de periode 2016.

Bron: Hof ‘s-Hertogenbosch, 11-06-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1622
Wet:  art. 20 AWR en art. 12 Wet OB 1968