Geen buitensporige last ondanks hoger box 3-heffing

Geen buitensporige last ondanks hoger box 3-heffing

Gegevens

Nummer
2026/450
Publicatiedatum
1 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1659
Rubriek
Uitspraak

Ook als de box 3-heffing hoger is dan het werkelijke rendement, is niet snel sprake van een buitensporige last. Het hof kijkt naar de gehele financiële situatie, inclusief ongerealiseerde waardestijging van de eigen woning.


Een man krijgt over de jaren 2015 t/m 2020 aanslagen ib/pvv opgelegd met box 3-heffing. Zijn vermogen bestaat onder meer uit banktegoeden, beleggingen, een tweede woning en een vordering op zijn moeder. Voor 2015 t/m 2019 vraagt hij om ambtshalve vermindering, omdat de heffing hoger is dan zijn werkelijke rendement. Voor 2020 maakt hij bezwaar. Volgens de man leidt de box 3-heffing tot een individuele en buitensporige last, omdat hij moet interen op zijn vermogen. De inspecteur wijst de verzoeken af. In geschil is of sprake is van een buitensporige last en of de aanslagen moeten worden verminderd.

Werkelijk rendement en vergelijking met heffing Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat bij de bepaling van het werkelijke rendement moet worden aangesloten bij alle relevante rechtspraak, inclusief het Kerstarrest. De rente telt pas mee in het jaar van bijschrijving. Verder verwerpt het hof een gestelde waardedaling van landbouwgrond, maar accepteert het wel een (beperkte) waardedaling van de tweede woning. Voor 2015 t/m 2017 is de box 3-heffing lager dan het werkelijke rendement, zodat al daarom geen sprake is van een buitensporige last. Voor 2018 en 2019 is de heffing wel hoger dan het rendement, maar dat is slechts een eerste indicatie.

Gehele financiële situatie doorslaggevend Voor 2018 en 2019 beoordeelt het hof of de man daadwerkelijk moet interen op zijn vermogen. Daarbij kijkt het hof naar het gezamenlijke inkomen van de man en zijn partner en hun totale financiële positie. Hoewel het besteedbaar inkomen onder de bijstandsnorm ligt, weegt het hof zwaar dat de eigen woning aanzienlijk in waarde stijgt en dat er voldoende vermogen aanwezig is. Daardoor is geen sprake van een individuele en buitensporige last. Het hoger beroep slaagt alleen voor 2020, omdat partijen het eens zijn over een lagere box 3-grondslag.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1659
Wet: art. 5.1 Wet IB 2001 en art. 1 EP EVRM