Geen box 3-herstel voor niet-bezwaarmaker na Kerstarrest

Geen box 3-herstel voor niet-bezwaarmaker na Kerstarrest

Gegevens

Nummer
2026/590
Publicatiedatum
12 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:456
Rubriek
Uitspraak

A-G Pauwels concludeert dat niet-bezwaarmakers voor box 3 geen ambtshalve vermindering krijgen met een beroep op het Kerstarrest. Volgens hem kan het cassatieberoep in deze proefprocedure niet slagen.


De zaak gaat over aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2017 tot en met 2020, waarin box 3-heffing is begrepen. De belastingplichtige maakt destijds geen bezwaar tegen deze aanslagen. Na het Kerstarrest van 24 december 2021 vraagt hij alsnog om vermindering van de aanslagen. De inspecteur wijst deze verzoeken af en verklaart ook de bezwaren daartegen ongegrond. Rechtbank Den Haag oordeelt vervolgens dat niet-bezwaarmakers geen beroep kunnen doen op het Kerstarrest, omdat dit arrest nieuwe jurisprudentie vormt in de zin van artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De zaak is een van de proefprocedures binnen de massaalbezwaarplusprocedure over box 3.

Nieuwe jurisprudentie blokkeert herstel De belastingplichtige voert in cassatie aan dat de onjuistheid van de box 3-heffing al uit eerdere rechtspraak volgt. Ook stelt hij dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen niet mocht uitgaan van de juistheid van zijn standpunt. Verder doet hij een beroep op onder meer het evenredigheidsbeginsel, het eigendomsrecht, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en uitlatingen van de toenmalige staatssecretaris. A-G Pauwels verwijst voor de beoordeling van deze middelen naar de bijlage bij zijn conclusie. Daaruit volgt volgens hem dat geen van de middelen tot cassatie kan leiden.

Geen doorbreking formele rechtskracht Volgens de A-G blijft het uitgangspunt gelden dat de aanslagen onherroepelijk vaststaan, omdat de belastingplichtige geen tijdig bezwaar heeft gemaakt. De nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 staat dan in de weg aan ambtshalve vermindering. Dat de zaak politiek en maatschappelijk gevoelig ligt, maakt dit juridisch niet anders. Ook de vergelijking met bezwaarmakers gaat volgens de eerdere beoordeling niet op, omdat zij procedureel in een andere positie zitten. De A-G geeft de Hoge Raad daarom in overweging het cassatieberoep ongegrond te verklaren.

Bron: Parket bij de Hoge Raad, 08-05-2026, ECLI:NL:PHR:2026:456
Wet: art. 9.6 en art. 9.7 Wet IB 2001, art. 45aa Uitv. reg. IB 2001