BelastingZaken 2010, afl. 3 - Sigaar uit eigen doos?
Aflevering 3, gepubliceerd op 25-03-2010 geschreven door Philip RuysDe minister van Financiën schiet zelfstandige ondernemers te hulp, zo mochten we onlangs lezen in de pers. Eerst even wennen dat die staatssecretaris tot minister is getransformeerd. Het gaat hier niet over steun aan banken of verzekeringsmaatschappijen in de vorm van staatsgaranties; op zich een interessante gedachte waar een heleboel ondernemers waarschijnlijk wel voor te porren zouden zijn. Veel ondernemers kampen op dit moment met problemen om krediet te krijgen. Banken hebben de geldkraan al een tijd geleden dichtgeknepen. Dat is niet alleen een probleem bij nieuwe investeringen of bedrijfsovernames; ook bij verlenging van bestaande kredieten kan de houding van de bank de nekslag voor de onderneming betekenen en hieruit vloeien dus de laatste tijd veel faillissementen voort. Het idee van staatsgarantie lijkt dus zo gek nog niet, als daar ook de banken zelf mee overeind worden gehouden. Maar nee, het gaat hier over de toepassing van een bepaling in de Wet inkomstenbelasting, namelijk de zelfstandigenaftrek; meer in het bijzonder het daarbij behorende urencriterium. Om de zelfstandigenaftrek toe te passen dient een ondernemer in een kalenderjaar tenminste 1.225 uren te besteden aan werkzaamheden voor zijn of haar onderneming. In eerste instantie gaat het dan om de 'core business' van de ondernemer: de schilder schildert, de bakker bakt, de adviseur adviseert, enzovoort. Maar voor een ondernemer zal het geen twijfel lijden dat voorbereidende werkzaamheden voordat men 'echt' gaat werken in de onderneming, en bijvoorbeeld administratie, ook werkzaamheden voor de onderneming zijn. Denk aan het bouwen van een website, het volgen van relevante cursussen, acquisitie, het invullen van belastingformulieren. Allemaal voorbeelden waarvan de rechter al eens heeft gezegd dat deze uren meetellen voor de vraag of al dan niet de zelfstandigenaftrek kan worden geclaimd. Maar helaas stelt de Belastingdienst nogal eens vragen over dergelijke uren, zowel kwalitatief als kwantitatief, en dat leidt tot discussies. In een recent besluit heeft de minister laten weten dat de Belastingdienst in dergelijke gevallen voor de jaren 2009 en 2010 (!) 'enige soepelheid zal betrachten' bij de beoordeling. We hebben hier te maken met een genuanceerde sigaar uit eigen doos. De inspecteur zou zich helemaal niet moeten bemoeien met de vraag of gewerkte uren ten dienste zijn aan het behalen van resultaat. Sterker nog: het urencriterium is een oneerlijk middel en zou wat mij betreft moeten worden afgeschaft. Ik zou bijna zeggen: ga boeven vangen!